Toppertje

Kort verhaal, 21 juni 2016

Toppertje



1.


‘Onze kleine man moet nog even op gang komen,’ zei de vroedvrouw terwijl ze me er op mijn gerimpelde billetjes flink van langs gaf.


Ik heb dat uiteraard van horen zeggen, want ik was op dat moment als slappe was in de geweldige vroedhand waarmee ze me aan mijn enkels omhoog hield. Oma Kak sprak later van een dood kerstkonijntje dat nog even aan de gasten getoond wordt voordat het in de oven verdwijnt.


‘Ja, dat jong wordt een toppertje,’ zei mijn vader.


‘Je bedoelt een tobbertje,’ zei Oma Kak, zuur als altijd.


Maar mijn vader leefde in een parallel universum. Voor hem geen enkele twijfel. Hier was zijn lang verwachte zoon, zij het nog even ondersteboven, en dat moest een toppertje worden. Was het eigenlijk al. Eens een toppertje, altijd een toppertje. Niet dan, wel dan?


‘Het was op de eerste echo al duidelijk,’ zei mijn vader en mijn moeder knikte, dodelijk vermoeid.


Ook aanwezig bij de bevalling was zijn moeder, mijn oma, later door mij steevast aangeduid als Oma Kak. De toevoeging diende ter onderscheiding van Oma Sniets die samen met Opa Sniets boven op een hoge berg in Oostenrijk woonde. Ook twee toppertjes volgens mijn vader, al was het maar omdat ze zomers in een hut boven de boomgrens leefden. Oma Sniets was een ster in het klaarmaken van de heerlijkste schnitzels en Opa Sniets was een ster in het naar binnen werken ervan.


Mijn vader had hun dochter leren kennen in een apres-skitent waar zij hem bediende en dat is zo gebleven. Oma Sniets was een schat, Oma Kak, zo genoemd omdat haar vierhoog-flatje permanent werd ondergescheten door een nest tekkels die de trap niet af durfden, was wat teleurgesteld geraakt in het leven. Zij uitte zich bij voorkeur in sarcasme, cynisme en ironie, zonder dat ze van het bestaan van deze begrippen op de hoogte was. Opa Kak was lang geleden bezweken aan een verwaarloosde hondenlintworm. Toen Oma Kak mij zo futloos zag bungelen zei ze, een beetje sarcastisch, zuigend bijna:


‘Vroedvrouw, mag ik eens vragen, komt het wel eens voor dat de nageboorte eerder komt dan het kind?’


De vroedvrouw liet zich niet afleiden en gaf me nog maar eens een pets op een paar billetjes die intussen flink rood kleurden. Een goed teken volgens mijn vader. Voor mijn moeder was de opmerking van Oma Kak helaas net te veel van het goede. Na een zware bevalling gleed zij soepeltjes over het randje van een postnatale depressie en bleef dagenlang huilen. Van de weeromstuit begon ik ook te huilen. Een beetje iel nog, maar voldoende voor mijn vader om de ziekenhuisgang op te rennen waar de West Side op bier met worst stond te wachten.


‘En?’ klonk het unaniem.


‘Een toppertje,’ riep mijn vader bijna euforisch en de goede verstaander hoorde de triller in zijn stem. ‘Geboren spits. Een dondersteen. Heeft zijn eerste pak rammel al gehad.’ Het gejuich klonk woest.


Mijn vader was in de zevende hemel. Binnen keek Oma Kak hoofdschuddend toe hoe ik zonder helder plan op zoek ging naar een tepel. ‘Een gup op het droge,’ was haar commentaar.


2.


Mijn vader had me Wesley genoemd omdat hij een zoon wilde met topperpotentie. Wesley stond drie op de lijst met meest populaire jongensnamen van dat jaar en was aanvoerder van het Nederlands elftal. Op nummer een stond Mo maar dat was voor hem net een stap te ver.


Na drie weken couveuse mocht ik naar huis. Mijn vader had niet alleen het meubilair voor de kinderkamer vervaardigd, hij had de ruimte ook naar eigen smaak aangekleed.


Mijn arme moeder wist aanvankelijk niet beter dan dat het in het volgens Opa Sniets nogal verdorven Holland normaal was dat je zo’n jongenskamertje vol hing met afbeeldingen van Hells Angels, kickboksers, body builders, heavy metal groepen en wulpse dames in uitdagende poses. En voetballers natuurlijk.


Mijn zwakke zuigreflex belemmerde een gestage groei. Verschillende keren deed mijn vader voor hoe je de tepel moest benaderen maar uiteindelijk werd het toch kolven. Pas anderhalf jaar later, toen ik aan de schnitzels van Oma Sniets toe was, ging het ineens crescendo met me.


Mijn vader kon niet wachten tot ik haar begon te krijgen. Het idee kwam van zijn gabber Stompie. Zo gauw de stand van het gewas het toeliet, kreeg ik een hanenkammetje in combinatie met een kippenkontje aangemeten. Speciale babygel moest voor enige vormvastheid zorgen.


Achteraf gezien een gelukkige periode in mijn leven. Nooit heb ik meer belangstelling gehad van het vrouwelijk geslacht dan in dat tweede half jaar van mijn leven. Zelfs Oma Kak toonde interesse al was haar opmerking dat ze met zo’n borsteltje haar flatje wel eens een stevige beurt zou willen geven niet erg fijngevoelig.


Omdat mijn ouders dat niet konden betalen ging ik niet naar de crèche. Gelijk naar groep 1 dus en dat was nogal een overgang. Voordat ik werd overgedragen aan juf Rianne had mijn vader een overdonderende peptalk gehouden, wat tattoes opgeplakt en me een aantal duidelijke adviezen meegegeven. De belangrijkste was: als ze lelijk tegen je doen: gelijk meppen. Ram er maar op dan leren ze het wel. Wat hij er niet bij vertelde, was dat al die jongetjes veel harder konden slaan dan ik. En de meisjes ook. En die beten er ook nog bij. Maar dat wist ik toen nog niet en dus ging ik, aan de hand van mijn vader, met het nodige speelgoed, waaronder een op afstand bestuurbare hijskraan van maximaal zes meter spanwijdte en een hefvermogen van 300 kg, op weg. Vol zelfvertrouwen want ik was een toppertje dat moest ik nooit vergeten.


Toen mijn vader me die middag kwam ophalen was ik net klaar met een ingelaste assertiviteitstraining voor kleuters. Volgens het team liet ik me te makkelijk afbluffen. Mijn meegebrachte speelgoed was binnen de groep verdeeld en de hijskraan was in onderdelen afgevoerd. Mijn vader was des duivels maar zelf vond ik het eerlijk gezegd niet zo erg dat ik van die stomme hijskraan af was. Eigenlijk vond ik My Little Pony veel leuker speelgoed maar om een of andere reden verstopte mijn moeder dat altijd als mijn vader thuiskwam.


3.


Op mijn vijfde verjaardag kreeg ik eindelijk mijn seizoenkaart, ook voor uitwedstrijden, die mijn vader me al het hele jaar had beloofd. En toen, de eerste keer naar het stadion. Met de tram. Ik was in alle staten en zo hoorde dat ook op de West Side. Mijn vader had me een paar belangrijke teksten geleerd. Allereerst het clublied:


Onze club gaat nooit verloren


Al moet het op één been


Je wordt als ven geboren


En als vent ga je ook heen


Nadat hij het de tweede keer had voorgezongen stond ie als een kind te huilen. Toen heb ik zijn hand gepakt. Maar hij werd kwaad en zei: ‘Een ven huilt nooit, Wes. Onthoud dat goed. En niet vergeten Wesley: Als we uit spelen maakt de scheidsrechter veel fouten. Daar wordt ie voor betaald. Daarom zingen we:


He flikker, hep jij je fluitje ingeslikt?


Ik hoop dat je er snel in stikt


Vuile, vieze teringlijer


Je moeder is een stoeptemijer


'En goed opletten want mooie liedjes zingen we altijd tweestemmig.’


Ik moet eerlijk zeggen dat ik die liedjes niet allemaal begreep. Maar het was gezellig in het stadion. Tot het moment dat de tegenpartij een penalty kreeg. Mijn vader zei: ‘Blijf hier staan, ik ben even weg. En denk erom, wat er ook gebeurt, je bent een toppertje.’


Ben je dan trots.


Mijn vader was nog niet weg of er lag al een rookgordijn over het veld. Iemand achter me hoorde ik zeggen dat de ME voor het eerst een JSF gingen inzetten. Kort daarna was mijn vader terug. Wankelend. Onder het bloed.


‘Hij ging te vroeg af,’ hoorde ik hem nog zeggen en toen viel hij om. Ergens in zijn lies zag ik een zwarte vlek snel groter worden. Even dacht ik nog: zou hij nu in zijn broek zeiken? Nee, natuurlijk, dit was bloed. Veel bloed. Ik vond het eng maar ik heb zijn broek naar beneden getrokken en het gat met mijn duim en wijsvinger dicht geduwd. Tot er een dokter kwam.


Later in het ziekenhuis hebben ze de zaak nog net kunnen fixen. Toen de dokter klaar was, zei hij tegen mijn vader: ‘U hebt uw leven te danken aan het kranige ingrijpen van uw zoontje.’


‘Ik heb het altijd gezegd, het is een toppertje,’ zei mijn vader en gaf me met zijn laatste krachten een beuk tegen mijn schouder.


Espunt, 21 juni 2016