Een Midzomernachtsdroom

Kort verhaal, 30 augustus 2016

Een Midzomernachtsdroom




‘Aalten,’ las Guusje van Berkel met een geeuw die hoegenaamd niets in de weg werd gelegd. ‘Het schiet op, Herman,’ liet ze er voldaan op volgen. ‘Nu eerst tanken. Je weet dat ik ’s nachts niet graag op zoek ga naar een benzinestation.’


‘Ik weet het schat, we gaan nu eerst tanken,’ zei Herman van Berkel.


Guusje en Herman waren op weg naar Winterswijk. Vanuit hun randstadperspectief een beetje het einde van de wereld. Maar dat klinkt nogal onaardig en zo voelden zij dat zeker niet. Een andere wereld, dat klonk beter. De wereld van de Achterhoek met zijn rustieke, zacht glooiende landschap, zijn kleinschaligheid, zijn rust. En zijn geheimen, ook dat. Zij kwamen er graag.


Sinds je in Europa zo maar de grens over mocht, wipten ze wel eens even vanuit Winterswijk Duitsland binnen. Aardige mensen daar, en zo schoon, daar konden de Nederlanders nog een voorbeeld aannemen, vond Guusje. Beleefd ook, en alles goed geregeld, voegde Guus daar graag aan toe.


Het was al weer vele jaren geleden dat ze Winterswijk bij toeval hadden ontdekt. En toen Herman vervolgens hoorde dat er in het buitengebied een enorme steengroeve lag waar pootafdrukken van oeroude sauriërs werden gevonden, was hij gelijk verkocht. Hoe bijzonder was het dat door een speling van de natuur in de buurt van het gehucht Ratum aardlagen van meer dan tweehonderdmiljoen jaar oud door oerkrachten uit het binnenste van de aarde omhoog waren geperst zodat je weer iets te zien kreeg van de vreemde dieren die daar lang geleden hadden geleefd.


Herman was een vogelaar in hart en nieren. De levende natuur! En toch raakte hij gegrepen door dit oeroude leven. Want, zo hield hij Guusje vaak voor, onze vogeltjes stammen direct af van deze vreemde monsters. Dat kon je aan die pootafdrukken al zien.


Guusje had met verbazing gezien hoe haar Herman, als hij de groeve betrad, veranderde in een jager, een fossielenjager, Opwinding klinkt gelijk zo bestiaal, maar het liet haar niet helemaal onberoerd. Zelf had ze zich toegelegd op het verzamelen van ‘Winterswijks goud’, prachtige, goudglanzende kubusjes, volgens Herman pyriet, een verbinding van ijzer en zwavel. Herman had er thuis een keer een klap op gegeven met een hamer, ‘moet dat nou?’ had ze nog geroepen, om te laten zien dat er vonken vanaf sprongen. ‘Gestold aardvuur, Guusje, daarom heet het ook pyriet. Maar ook gestold vuur laat zich bevrijden, Guusje. Dat leert pyriet ons.’


Jammer dat buitenstaanders sinds kort de groeve niet meer in mochten. De nieuwe Amerikaanse eigenaren zaten niet te wachten op claims. Zo’n groeve was nu eenmaal niet ongevaarlijk. Wat nog net wel mocht was het jaarlijkse theaterevenement van het Steengroeve Theater Winterswijk. Als de winning in de zomervakantie stil lag, werd de groeve omgebouwd tot een magisch centrum waarin muziek en toneel tot een betoverend spektakel werden samengesmeed.


Guusje en Herman waren op weg naar de nieuwste productie: MZN8D, de eigentijdse code voor Midzomernachtsdroom. Een spannende keuze in dit Shakespearejaar die die avond zijn première zou beleven.


Maar nu eerst tanken. Herman stopte bij een onbemand tankstation en kwam al snel tot de conclusie dat de betaalautomaat niet werkte. ‘Heb je je pasje er wel goed ingestoken?’ probeerde Guusje nog, maar toen waren ze al weer onderweg. ‘Eerst maar even naar Bredevoort,’ zei Herman, ‘dan gaan we daarna wel tanken.’ Ze sloegen het bekende boekendorpje zelden over als ze in de buurt waren. Ze waren beiden verslaafd aan boeken en zo maar achteloos aan al deze schatten voorbij rijden beschouwden ze als een onvergeeflijke daad van barbarij.


Het was duidelijk dat ook Bredevoort Shakespeare had omarmd. De aandacht van Guus werd getrokken door een winkeltje dat niet alleen bedolven dreigde te raken onder boeken en stof, in dat opzicht verschilde het nauwelijks van de concurrentie, maar dat voor deze speciale gelegenheid de Midsummernight’s Dream als thema had gekozen. Het beroemde stuk stond daar tweedehands in al zijn aspecten en varianten uitgestald. Maar ook de wereld van de Elfen en van al die andere geheimzinnige wezens van het bos en de aarde, van het water en de lucht, sommige lieflijk en behulpzaam, andere wreed, sluw en angstaanjagend, die Shakespeare aan ons mensen toont, kwamen uitbundig aan bod.


Terwijl Herman Guusje wat fraaie prenten van de tussenwereld liet zien, verscheen er vanachter een berg boeken een prachtige jonge vrouw met een wilde bos rood haar. Zij liep, je zou het bijna dansen kunnen noemen, regelrecht op Herman af, keek hem met een liefdevolle blik aan en verzocht hem vriendelijk de winkel te verlaten. De zaak ging wat vroeger dicht omdat ze moest optreden. Guusje, geïmponeerd door zoveel vitaliteit en jeugdige schoonheid, kon nog net vragen waar ze dan naar toe moest. Naar de steengroeve, was het antwoord. Ze moest met het openbaar vervoer en ze was al laat. ‘Dat treft,’ zei Herman, ‘wij gaan ook die kant op. Als je wilt, kunnen we je bij de steengroeve afzetten.’ Het meisje bedacht zich geen moment en accepteerde dit aanbod met beide handen en met een elfenlach. Guusje wilde nog inbrengen dat ze eerst nog moesten tanken maar zag op tijd in dat ze zich daarmee niet populair zou maken. Haar Herman was zo te zien al in het duistere elfenbos verdwaald. Het was nu aan haar om hem voor verdere dwaasheden te behoeden.


‘Ik speel de rol van Puck,’ vertelde het meisje enthousiast. ‘Een hoofdrol. Ik help Oberon de Elfenkoning om zijn relatie met Titania, de wondermooie Elfenkoningin, te redden. Daar heb ik een speciaal stofje voor. Als ik dat op je ogen druppel terwijl je slaapt, zal je stapelverliefd worden op de eerste de beste die je ziet als je je ogen opent. ‘Belangrijk hoor,’ benadrukte ze, ‘want als Oberon en Titania ruzie hebben is de wereld in de war.’ Jullie zullen vanavond wel merken dat het middeltje uitstekend werkt. Soms zelfs een beetje te goed.’ Herman keek even opzij naar zijn echtgenote en gaf haar een knipoog. Guusje had geen idee wat hij daarmee bedoelde. Haar Herman leek emotioneel wat uit balans te raken.


Een dankbare Puck stapte bij de steengroeve uit. Ruim op tijd. ‘Dit vergeet ik niet snel,’ riep ze naar achteren terwijl ze wegholde. ‘Tot vanavond.’


Ze reden terug naar Winterswijk voor een drankje en een hapje. Eenmaal neergestreken op het terras waar ze altijd zaten, viel Hermans oog op een naburig winkelpand met op het balkon van de eerste etage een ooievaar die liet weten dat hier recent een kindje was geboren dat de naam Jan-Floris had gekregen. Een bekend tafereel. Minder alledaags was het bord onder de ooievaar waar nader op de zaak werd ingegaan. Door de wat onzekere penseelvoering kostte het Herman enige moeite om de boodschap te ontcijferen. Die bleek te luiden:


Tijdens een weekendje brommers kiek'n aan 't strand

Is Hoitinks draakje in de Roos beland

Wanda had toen zeldzame jeuk aan haar clitoris

Het resultaat: grote bek, platvoeten, snitsels en dikke mat: Jan-Floris


Prikkelende poëzie die waarschijnlijk met veel bier tot stand was gekomen. Herman aarzelde even om zijn vrouw, die met haar rug naar het kunstwerk zat, op deze openhartige tekst te wijzen. Met een beetje geluk zou ze er nooit hoogte van krijgen. Maar je moet in een huwelijk ook niet te veel onnodige geheimen met je meedragen, overwoog Herman en dus zei hij: ‘Liefste, haal even diep adem en geniet dan van de wijze waarop de Achterhoeker gezinsuitbreiding viert.’


Nu werd het Guusje toch echt te machtig. ‘Wat is er in jouw gevaren, Herman. Ik herken je niet meer.’ Herman maakte een bezwerend gebaar en zei: ‘Doe me een plezier en draai je om. Achter je rug hangt een bijzonder stukje volkskunst. Ik wilde het niet voor je verborgen houden. Aan de rand van ons land kunnen de zeden wat afwijken.’


Guusje draaide zich om, zette een andere bril op en zei na enkele ogenblikken: ‘Waar jij tegenwoordig al niet op let! Bah!’ Er volgde een stilte die langer duurde dan gebruikelijk.


Die avond werd duidelijk dat Puck over een krachtig liefdesdrankje beschikte. Naarmate de vleselijke lusten uitbundiger werden, begon Guusje zowaar wat te ontdooien.


‘Het lijkt wel een feestje voor Jan-Floris,’ fluisterde ze op een bepaald moment met een ondeugende glimlach.


Herman ontspande. De ambiance van de hele voorstelling werd meer betoverend naarmate de avond viel. De subtiel aangelichte wanden van de groeve werden een magisch onderdeel van dit bijzondere theater. Spelers leken uit de wanden op te duiken. Over de rand van de groeve loerden wezens mee die hun eigen theater creëerden. Herman probeerde zich te concentreren op de acties van Puck. In de duisternis van het bos was ze soms moeilijk te herkennen. Wat was hier nog echt? En wat was verbeelding? Een droom? Een nachtmerrie?


Het was al over twaalven toen ze eindelijk Winterswijk weer uit waren. Vermoeid maar voldaan. Een waanzinnige voorstelling, in allerlei opzichten.


‘Nu eerst tanken, Herman,’ mompelde Guusje en zakte langzaam weg.


‘Natuurlijk, liefste,’ mompelde Herman met een hoofd vol beelden van geile wezens, feeën zo goed als mensen. ‘Hoitinks draakje’, hij schudde zijn hoofd en grinnikte. Wat had er kunnen gebeuren als hij alleen met Puck in de auto had gezeten? Hij voelde het bloed naar zijn hoofd stijgen.


Eindelijk, een pompstation. Met een werkende betaalautomaat. Opluchting. Volle tank. Guusje was diep in slaap.


Op het moment dat hij wilde wegrijden sprong er, als uit het niets, een vreemde vogel voor zijn auto. Geen idee waar die ineens vandaan kwam. Maar een ding was direct duidelijk: daar stond Puck, of een Puck, en ze wenkte hem om naar buiten te komen. Oog in oog met Puck, hoe was het mogelijk. Ze droeg nog haar Puck-outfit. Was dit een hallucinatie? Kon hij zo nog wel wegrijden?


Puck tastte in de zak van haar elvenjack. Er kwam een klein stenen flesje tevoorschijn. Zwijgend overhandigde zij het flesje en zei toen: ‘Ik heb een paar druppeltjes voor je bewaard. Genoeg. Op elk ooglid twee druppels. En zorg dat je in de buurt bent als ze haar ogen opslaat. Het ga jullie goed.’


En weg was Puck. In rook opgegaan. Lang bleef Herman staan. In een soort shock. Het was Puck, maar die stem. Die was echt anders. Toen stapte hij in en liet voorzichtig op elk ooglid van zijn vrouw twee druppels vallen.


Straks zou ze wakker worden. Tot zo lang mocht hij haar geen moment uit het oog verliezen.



Espunt, 30 augustus 2016