Maya-kalender

Game - over

Kort verhaal, 7 oktober 2012

Maya-kalender, game over


‘Ik snap echt niet waarom jij je de laatste tijd zo druk maakt over die Maya-kalender. Eduard Quispel, hoogleraar theoretische natuurkunde, ligt ’s nachts wakker van oeroud bijgeloof. Wat vinden je vriendjes op het instituut daar eigenlijk van?’

‘Lieve Judith, het zijn geen vriendjes maar collega’s. En ze vinden er niks van, want ze weten van niks.Tenminste niet van mijn ontdekking.’

Bij het woord ontdekking veert zoon Tjip op.En dat wil wat zeggen, want Tjip is al weer een tijdje geleden opgegaan in zijn iPhone en reageert sindsdien eigenlijk alleen nog op geurboodschappen.

‘Jij? Een ontdekking?’

‘Jij? Iets horen?’ reageert zijn vader ontzet. ‘Ik vraag me echt af wat je de laatste tijd nog meer hebt opgevangen. Ik moet nu echt op mijn woorden gaan letten.’

‘Ja, leuk. Vertel nou maar even wat je ontdekt hebt.’ Tjip gaat al bijna weer koppie-onder.

‘Ik heb ontdekt dat die Maya-kalender waar iedereen zich nu zo druk over maakt, opduikt in het getal pi. Hoewel, ik moet wel eerlijk zijn. Ik heb op internet ontdekt dat iemand dat ontdekt heeft. En ik heb het gevoel dat het een belangrijke ontdekking is.’

‘Gaaf,’ roept Tjip. ‘Mail die link even door, wil je?’

‘Dus toch,’ zegt Judith. ‘Kunnen wij het begrijpen?’


Judith heeft zich al lang geleden neergelegd bij het feit dat haar Eduard de kost verdient met nadenken en het produceren van geheimschrift van het ergste soort. Heel saai als ze onder vriendinnen is. Ze heeft nooit eens een leuk verhaalover haar vent.


‘Ik denk het eigenlijk wel.’

‘Kom maar op,’ grijnst Tjip, ‘dan zet ik het gelijk op Facebook.’

Mijn zoon is nu even gedemobieliseerd, bedenkt Eduard. Maar voor hoe lang?

‘Daar gaat ie. Kun je je voorstellen dat het heelal een heel grote computer is?’

‘Nee,’ zegt Judith.

‘The Matrix,’ roept Tjip.

‘Inderdaad, in The Matrix spelen ze ook met dit idee.’

‘Welk idee?’ wil Judith weten.

‘Dat er een paar gasten in de hyperruimte een spelletje op hun computer spelen. En dat spel ..eh..eh.., dat zijn wij. Met alles erop en eraan.’

‘Hoe bedoel je, Tjip? Dat ik je váder al heel lang niet meer kan volgen, dat heb ik geaccepteerd. Maar nu begin ik bij jóu ook af te haken.’ Er klinkt iets van radeloosheid in haar stem.

‘Even normaal, mam. Vind je het nu echt al te moeilijk? Wij zijn gewoon computerpoppetjes die in een virtuele wereld rondlopen. Je vond World of Warcraft al zo eng, weet je niet? Zo echt. Nou, geloof me maar, het kan nog veel echter. Kijk maar om je heen. Kijk maar in de spiegel. Net echt, toch?’

‘Net echt? Wat nou, net echt. Het is echt. Wie is hier nou gek? Eduard, zeg jij er eens wat van? Dat jong is echt de weg kwijt. Dat komt ervan als je de hele dag naar zo’n schermpje zit te loeren. Je blowt toch niet, Tjip?’


Judith is nu niet langer alleen maar ongerust, ze is ook boos. En ze wordt nog bozer als haar man probeert de wat bondige uitspraken van zijn zoon toe te lichten.

‘Rustig maar. Tjip gaat iets te kort door de bocht. Maar je was wel goed bezig, zoon.’


Eduard krijgt een high-five van zijn zoon, gevolgd door enkele vuistbewegingen die moeilijk te programmeren zijn. Hij gaat verder.


‘Het is denkbaar dat de kosmos in diepste wezen een enorme computer is, of in ieder geval iets dat werkt zoals een computer werkt.’


Eduard houdt zijn gehoor scherp in de gaten. Judith en Tjip zijn er nog bij.


‘Wat doet een computer? Een computer heeft een paar belangrijke onderdelen. Nee, ik houd het simpel. Heus. Een computer heeft een klok die tikt. Hij heeft verder een geheugen met allemaal geheugencelletjes. In elk celletje kan een 0 of een 1 staan. En hij heeft een onderdeel dat met die enen en nullen kan goochelen. Bij iedere tik van de klok worden sommige nullen enen en sommige enen veranderen in een nul. Duidelijk?’


Tjip knikt,zijn moeder schudt nee.


‘Wat wij om ons heen zien gebeuren zou het aan- en uitzetten van bits kunnen zijn.Volgens een bepaald voorschrift. We noemen dat een algoritme. Googel maar eens op Life en Conway, Tjip, dan zie je wel wat ik bedoel.’


Niet zo handig van Eduard, want Tjip is nu even met zijn eigen project bezig. Alleen zijn liefdevolle echtgenote veinst nog aandacht.


‘De vraag die ik me al geruime tijd stel is of het mogelijk is om te achterhalen of wij in een echte of een namaakwereld leven. Ik geef toe dat het een beetje vreemde vraag is, maar niet onbelangrijk, lijkt mij.’

‘En, heb je een idee?’

‘Ik probeer het simpel te houden. Veel van mijn collega’s menen dat het onmogelijk is om te achterhalen of we al dan niet deel uitmaken van een computersimulatie.’

‘Gaaf, zeg. Hier, mam, kijk, dit is nou een glider.’


Tjip laat zijn moeder zien hoe op het scherm van zijn iPhone kleine stippelfiguurtjes weggeschoten worden vanuit een ander stippelding. Het zegt haar niet veel. Jongetjesgedoe.


‘Jij denkt er anders over?’ vraagt Judith, die zich weer tot haar man richt.

‘Die Maya’s hebben me op een idee gebracht. We weten dat de meeste scheppers graag een boodschap achterlaten in hun werk zodat het in principe mogelijk wordt te achterhalen wie aan de wieg heeft gestaan van een bepaalde creatie. Je hebt hard gewerkt en je wilt erkenning, al is het maar postuum. Yaweh liet zich ook nog even zien in het Paradijs, zal ik maar zeggen. We zien het zelfs in de wereld van de computerprogrammeurs. Vaak vind je hun namen terug in een verstopt stukje van de software.’


‘Ik begin nu toch wel benieuwd te worden, Eduard,’ zegt Judith. Ze heeft een gezond kleurtje gekregen.


‘Pi is 3,141592653...en dan gaat het oneindig lang door. Zonder enige regelmaat. Er zijn al heel lang lui bezig om te achterhalen of er in pi geen verborgen boodschappen zitten. Allemaal kwakzalverij. Als je maar lang genoeg zoekt in die oneindig lange rij decimalen vind je altijd wel iets interessants.’

‘Hier, de eerste honderdduizend decimalen van pi.’ Tjip was weer even aan het googelen geweest.

‘Weet je dat ik er bijna duizelig van wordt als ik er te lang naar kijk,’ zegt Judith.

‘En weet je waar ik duizelig van werd?’ zegt Eduard.

‘Van je ontdekking,’ jent Tjip. ‘Vertel het nou maar, straks is de wereld vergaan en dan weten we het nog niet. Wie trekt straks de stekker eruit? Mogen we dat nu eindelijk eens weten?’

‘Ho, ho. Niet te vlug, mijn zoon. Zover zijn we nog niet. Eerst de vraag: bestaan we echt of zijn we een stelletje avatars?’

‘En?’ fluistert Judith.

‘Ik sluit niet langer uit dat wij avatars zijn,’ mompelt Eduard. Hij klinkt ernstig.

‘Je moet weten dat er volgens de kalender van de Maya’s op 21 december 2012 een periode van 5126 jaar eindigt. Vraag me niet wat dat betekent. Maar nu de vondst. De grote vondst. Als je de decimalen van pi gaat tellen, de cijfers achter de komma, dan zul je zien dat er bij de 2012-de decimaal iets opvallends gebeurt.’


Tjip zit als een gek te tellen, maar het duurt hem te lang.


‘Wat gebeurt daar dan?’ roept hij opgewonden. ‘Vertel!’

‘Daar staat een 5!’

‘Je meent het? Niet een 3 of een 9? Goh, Eduard, ik wist dat je knap was, maar zo?’ Natuurlijk ontgaat Eduard de spot niet in Judiths stem. Maar hij gaat onverstoorbaar verder.

‘Het volgende cijfer is een 1, dan een 2 en tenslotte een 6.’


Hij laat een stilte vallen om te peilen of ze doorhebben wat er aan de hand is. Ze zwijgen met hem mee.


‘Dus?’ zegt Tjip.

‘Wel, het is simpel genoeg, vanaf positie 2012 in de rij decimalen van pi staan vier decimalen die precies de lengte van de eindigende kalenderperiode aangeven. Dit kan maar een keer voorkomen in de oneindige cijferreeks van pi. Dit zou een verborgen boodschap kunnen zijn. De signatuur van de maker van onze simulatie.’

‘Wat denk je zelf?’ wil Judith weten.

‘Ik ga het na het weekend toch eens aan mijn vriendjes voorleggen.’

‘Je bedoelt je collega’s,’ corrigeert Tjip.

‘Goed opgelet, zoon.’


Espunt, 7 oktober 2012