Langs het Oosteinde

Kort verhaal, 5 september 2013

Langs het Oosteinde. (Over stille wateren en diepe gronden)



Er zijn in ons dorp verschillende manieren om vanaf mijn woonplek de Dorpsstraat te bereiken. Ik kies meestal voor de route over het Oosteinde. Ik vind het leuker om, fietsend of wandelend, met de auto maakt het me niet veel uit, in sloten te kijken dan in keurig betegelde voortuintjes. Het betegelde voortuintje is een veeg teken des tijds. Het vraagt geen onderhoud, hooguit zo nu en dan ophoging omdat wij hier in een verzakkende omgeving leven, en zonder ophoging en met toenemende vergrijzing steeds meer inwoners hun botten zullen breken als ze ondoordacht de deur uitstappen. En mantelzorg heeft zijn grenzen. Een steen des aanstoots? Een extra steen des afstaps? Het zijn zomaar wat vragen die opkomen.


Met die voorkeur voor water is de keuze dus gauw gemaakt. Het Oosteinde wordt namelijk aan beide kanten van de weg omzoomd door water. Dus ook op de terugweg fiets je langs venig water waar overigens meestal niet veel in te ontwaren valt maar het is altijd nog beter dan een betegeld en verzakt voortuintje. Dat donkere water bevat nog geheimen. Zelfs Google Earth kan er nog niet doorheen gluren, hoewel ik bijna zeker weet dat ze hard aan het piekeren zijn hoe ze dat voor elkaar moeten krijgen. Google leeft nu eenmaal van gluren. Maar voorlopig gebeurt er in het water langs het Oosteinde nog van alles waar wij geen weet van hebben. Ik vind dat een opwekkende gedachte die het fietsen naar de Dorpsstraat (en terug) verlicht.


Toen ik vanochtend terugfietste uit de Dorpsstraat, over het Oosteinde, werd ik besprongen door diepe gedachten. Links zwom een witte zwaan, rechts lag in de smalle berm een hoopje witte veren, waarschijnlijk van een familielid dat de voorgaande nacht even niet had opgelet toen Rein in de buurt was. Aan de eenzame zwaan links was op geen enkele manier te merken dat zich eerder aan de overkant van de weg een klein drama had afgespeeld, de zwanenzang van een familielid. De meeste dieren vergeten snel en dat is maar goed ook want het is natuurlijk niet echt gezellig in de natuur en over universele rechten van het dier maakt tot nu toe alleen het meest empathische en gevoelige dier dat we kennen, de zachtaardige en ethisch hoog-ontwikkelde fietser, zich druk.


De eenzame zwaan bewoog zonder enige haast, in volmaakte harmonie, door de sloot en stak op geregelde tijden zijn kop onder water, ongetwijfeld om iets eetbaars te scoren. Natuurlijk had ik dat gedrag vaker gezien, ik fiets regelmatig over het Oosteinde en ook buiten het Oosteinde doen zwanen niet anders.


Gek genoeg kwam nu pas de gedachte bij mij op dat de zwaan niet, zoals de eend en het waterhoentje, onder hoefde te duiken. Zijn hals was blijkbaar lang genoeg om het gezochte te bemachtigen. Dit op zich niet zo spectaculaire inzicht bracht een neurale kettingreactie teweeg. Het was alsof mijn hoofd ontplofte. Plotseling realiseerde ik me dat je allerlei interessante vragen kon stellen bij dit zwanengedrag. De eerste was: houdt de leiding van het Nederlandse watermanagement qua diepte van de waterlopen rekening met de lengte van de zwanenhals? Bij Bouw- en Woningtoezicht is de zwanenhals geborgd maar hoe zit het met Rijkswaterstaat en de waterschappen? Anders gezegd, zijn er landelijke dan wel gemeentelijke voorschriften aangaande de waterdiepte zodat de bodem van de binnenwateren voor de zwaan bereikbaar is zonder dat hij gedwongen wordt tot duiken? 


Omdat de zwaan wellicht van nature een slechte duiker is? Geen goeie duikstijl of snel buiten adem? De tweede vraag die bij me opkwam was: is er wellicht sprake van een evolutionaire ontwikkeling van de zwanenhals zodat deze steeds beter aangepast is geraakt aan de Hollandse sloot- en vaartdiepte? De derde was: of verzamelen de zwanen zich op die plekken waar ze aan hun lange hals genoeg hebben; en is er dan sprake van een toeval dat zoveel vaderlandse waterwegen een voor de zwaan geschikte diepte hebben? De vierde was: of consumeert de zwaan vooral de uitlopers van planten die om redenen van licht of anderszins tot een vaste afstand tot het oppervlak doorgroeien, ongeacht de waterdiepte? Ik verbaasde me over mijn heldere hoofd. Hoe hield ik die bewustzijnstoestand vast, kwam er in me op.


Toen ik thuis van de fiets stapte voelde ik me spiritueel gesterkt. Zoveel boeiende vragen in zo weinig tijd, dat was me wat. Dat ik hier evolutionair iets boeiends op het spoor was, leek me duidelijk. Dat een degelijk vervolg nogal wat uitzoekerij vroeg, was me ook duidelijk. Eigenlijk had ik daar niet direct zin in. Ik troostte mezelf met de nieuwe gedachte dat iedere vooruitgang begon met een waarneming, een open houding en een goede vraagstelling. Die bijdrage aan de vooruitgang had ik nu waarachtig wel geleverd. Enigszins opgelucht kreeg ik al snel een nieuwe gedachte, die me wat afleidde van de zwaan. De zwanenhals bracht me op de giraffenhals. Had die niet een prominente rol gespeeld in de grote ideeënstrijd tussen Lamarck en Darwin? Was die hals nou langer geworden omdat de overstrekte giraffennek werd doorgegeven naar het nageslacht (Lamarck) of was het een kwestie van toevallige veranderingen in de erfelijke eigenschappen (mutaties) waarbij de langere-nekvariant voordelen opleverde en daarom tot meer nageslacht (met langere nek) leidde (Darwin). Volgens Lamarck kan de kennis die een meubelmaker opdoet doordringen tot in de geslachtsorganen zodat de zoon reeds met de nodige aangeboren vaardigheden de zaak van zijn vader kan overnemen. Als dat geen beloning voor goed gedrag is! Prachtig. Helaas werkt het niet zo. Hoewel?


We weten intussen dat Darwin gelijk had. Het grote probleem van Lamarck is namelijk de vraag hoe je de uitrekeffecten van de giraf om bij het voedsel te komen in een zaad- of eicel krijgt zodat die eigenschap wordt doorgegeven. Het was heel lang duidelijk dat dit niet kan. Punt.


Toch was het idee van Lamarck zo verleidelijk dat met name links-utopische denkers er maar moeilijk afstand van konden doen. Als je bij iedere nieuwe generatie weer van nul af moet beginnen met het verheffen, dan komt het arbeidersparadijs niet snel dichterbij. Maar als opvoeding, opleiding en indoctrinatie regelrecht het zaad in gaan dan wel in het ei landen, wordt het een ander verhaal. Onder Lenin en Stalin kreeg Lamarck voet aan de grond in de Sovjetunie en de man die daarvoor zorgde was de zaadveredelaar Trofim Denisovich Lysenko [1898-1976]. Ik citeer nu een passage uit een artikel van G.H. Beale (Science Journal, oktober 1969) dat ik een dag na de zwanenexpeditie tegenkwam bij het opruimen van mijn archief (hetgeen weer vragen oproept over toeval en synchroniciteit).


In 1948 organiseerde Lysenko de zogenoemde ‘augustus’ bijeenkomst van de Academie van Landbouwwetenschappen. Vrijwel alle Sovjet-onderzoekers op het gebied van planten- en dierenveredeling waren opgeroepen te verschijnen. Zij moesten publiekelijk hun steun aan het Lysenkoisme verkondigen. Aan het eind van de bijeenkomst volgde de dramatische verklaring van Lysenko dat zijn visie de volledige steun had van het Politbureau en van Stalin persoonlijk, waarna iedere tegenstand stil viel. Na de bijeenkomst werden talrijke wetenschappers ontslagen, laboratoria gesloten of overgenomen door Lysenko-aanhangers, universitaire programma’s op het gebied van de genetica gestopt, tijdschriften en boeken uit bibliotheken verwijderd en zelfs dieren- en plantenbestanden bedoeld voor erfelijkheidsonderzoek vernietigd. Lysenko werd de absolute heerser van de USSR-genetica. Zijn portret kwam in alle instituten te hangen en schoolkinderen bezongen zijn heldendaden. (Dr. G.H. Beale, 1969).

Hoewel de weerstand tegen Lysenko al in 1952 op gang kwam, werd hij pas in 1964 uit zijn functie ontheven. Op dat moment was de landbouw in de USSR al zo achterop geraakt dat er op grote schaal graan moest worden geïmporteerd uit de wereld van Darwin.


Weg gekte, alles normaal. Ja, maar. De natuur blijft verbazen. Sinds enige tijd weten we dat er toch een soort van overerving mogelijk is van ‘aangeleerde’ kenmerken. Dat bepaalde ervaringen een effect hebben op de erfelijke eigenschappen. Niet door verandering van het DNA zelf, de klassieke mutatie van Darwin, maar door veranderingen in het patroon van ‘schakelaars’ die bepalen welke genen in het DNA wel of niet actief worden. Het volgende experiment laat zien waar we het over hebben.


Muizen werden via genetische modificatie opgezadeld met een geheugenprobleem. Daar werden ze dus mee geboren. De onderzoekers lieten een generatie muizen opgroeien in een ‘stimulerende’ omgeving (speeltjes, oefeningen, sociale contacten) en constateerden, als verwacht, dat dit een gunstig effect had op het geheugen. Na verloop van tijd was het uit met de pret, normale omstandigheden, en nakomelingen. En nu komt het: de nakomelingen hadden ook een beter geheugen, ondanks het feit dat ze dezelfde erfelijke afwijking bezaten en nooit in een verrijkte omgeving waren opgegroeid. Een van de talrijke voorbeelden die intussen zijn ontdekt. Ook bij kanker speelt Lamarck 2.0 soms een rol. Men noemt dit fenomeen epigenetica. De naam is al in 1942 bedacht door de Engelse bioloog Conrad Waddington. Het is niet bekend of Lysenko hiervan op de hoogte was. Epigenetica is nu 'hot' en heeft een nieuwe dynamiek gegeven aan de 'nature - nurture' - discussie.


Eenden duikelen, zwanen steken hun nek uit en een zwanennek met een mooie slinger erin voorkomt een hoop stank in huis. Straks gaat de waterspiegel stijgen. Het zou zo maar kunnen dat de duikelaars dan in het voordeel raken ten opzichte van de nekuitstekers. Het zou eeuwig zonde zijn als die magnifieke zwanen dan moeten afhaken. Misschien heeft het, als Lamarck toch een beetje gelijk heeft, zin om ze op tijd naar duikles te sturen. Maar misschien heeft het nog meer zin om ze te leren dat ze ’s nachts goed moeten opletten. Langs het Oosteinde gebeuren bedenkelijke dingen. Maar daarom fiets ik er ook zo graag.


En tuinbetegeling terugdraaien helpt ook. Beter voor gespreide waterafvoer en dus minder diepe sloten.



Espunt, 5 september 2013