Op de fiets

Kort verhaal, 7 augustus 2013

Op de Fiets



Loek Drimmelhuis was een vriendelijke man met een wat beschouwelijke aard. Graag citeerde hij vadertje Cats: ‘Wie lacht niet, die de mens beziet?’ En dat lachen gold ook hemzelf, Loek Drimmelhuis. Tenminste, tot voor kort, want het lachen was Loek een beetje vergaan.


Twee maanden geleden nog was Loek op zijn eigen bescheiden wijze een gelukkig man. Zijn bestaan was in hoge mate voorspelbaar en dat was precies wat Loek er zo in waardeerde. Onaangekondigde verandering was fnuikend voor zijn gemoedstoestand. Zijn zenuwgestel was nu eenmaal kwetsbaar. Nee, regelmaat, routine, dingen blind kunnen vinden, daar voer Loek wel bij. Een man van de klok. Op tijd bij de baas en op tijd aan tafel. Op zaterdagavond de vaste bevestiging van de huwelijkse staat, steevast om half elf door zijn allerliefste Irene ingeleid met het heerlijk vertrouwde: ‘Zullen we dan maar?’


‘Zullen we dan maar?’ Hij had het de afgelopen zaterdagavonden zonder moeten stellen. Irene woonde nog altijd in hun mooie doorzonwoning, maar Loek moest zich nu tevreden stellen met een kaal appartementje in een grauwe jaren-zestigflat waar niemand meer zijn best voor deed.


In een hoek van de kamer lag zijn matras. Het was nog een hele toer geweest om de matras, geen toonbeeld van de onbevlekte ontvangenis, achterop en toen weer voorop zijn fiets vanaf de kringloopwinkel bij zijn nieuwe onderkomen af te zetten. Op zaterdagavond keek Loek nu vanaf die matras om half elf naar Studiosport. Regelmaat moest er zijn.


Irene was gezwicht voor de toenemende druk van de achterburen en hun omvangrijke familie. Er was een verzoeningsbijeenkomst in De Goede Herder, het vergaderzaaltje van de kerk, geweest. Loek had daar, voor morele steun, ook de buren van zijn eigen rijtje voor uitgenodigd.


De achterburen hadden een ultimatum gesteld. Of Loek weg, of een bom onder de auto van Loek en Irene. Ze begrepen heel goed dat geschillen in Holland wat beheerster werden opgelost dan in hun geboorteland. Vandaar hun alleszins redelijke voorstel. Vervolgens was de achterbuurvrouw gaan gillen dat ze haar man betrapt had bij die smerige hoer, waarbij haar priemende wijsvinger met rouwrand richting een onthutste Irene had gewezen.


Al gillend strooide ze gul met plukken haar die ze met veel geweld van onder haar hoofddoek losscheurde. De buren van Loeks rijtje, waaronder een accountant en twee doctorandussen, hadden te kennen gegeven dat het ‘morgen weer vroeg dag was’ en dat ze maar weer eens op huis aangingen.


Kort daarna stond Loek er alleen voor omdat ook zijn liefste Irene eieren voor haar geld koos. Als de zaken er zo voorstonden was het misschien toch beter dat Loek ergens anders ging wonen, fluisterde ze hem geschokt in.


Het was Loek duidelijk dat hij deze strijd onmogelijk nog kon winnen. Hij was opgestaan en had De Goede Herder in een bedrukte stemming verlaten. Voor de vrouwelijke familieleden van de achterburen het sein om een kring te formeren, de armen om elkaars schouders te slaan en een dans in te zetten die door hun zwaarbesnorde mannen met ritmisch handgeklap werd begeleid. Ook Irene had zich daarop naar buiten gehaast, in de hoop nog wat dingetjes met haar echtgenoot te kunnen doornemen. Maar Loek was al verdwenen. Op de fiets.


Hoe was het zover gekomen? Wat was er in godsnaam gebeurd?


Met enige regelmaat had Irene Loek voorgehouden dat hij wat meer moest bewegen. De regelmaat beviel Loek wel, het bewegen minder. Hoe dan, bewegen? Verschillende opties waren op tafel gekomen. Uiteindelijk ging Loek akkoord met het voorstel dat hij in het vervolg op de fiets naar zijn werk zou gaan. De uitwerking van het plan vereiste een fiets en een jaarwisseling zodat een en ander in de stimulerende vorm van een goed voornemen gegoten kon worden. Op de avond van 1 januari vroeg Irene voorzichtig aan Loek of hij de auto alvast uit de garage wilde rijden. De garage was wat krap en Loek had ervaring. Dan stond de auto vast buiten zodat ze er de volgende dag zo mee weg zou kunnen rijden. Loek ging immers met de fiets.


De volgende dag vertrok Loek vroeg. Het was drie kwartier fietsen naar zijn werk en hij wilde wat tijd hebben om uit te zweten voordat die vreselijke nieuwjaarsbijeenkomst begon. Zijn kantoorkleding zat zorgvuldig opgevouwen in het nieuwe rugzakje dat zijn echtgenote voor hem had aangeschaft. Irene zwaaide hem bewonderend uit en dook nog even onder de wol. Een uur later werd ze ruw gewekt door langdurig en dwingend gebel. Vanuit het bovenraam meende ze de achterbuurman te herkennen. Ze schoot in haar peignoir en haastte zich naar de voordeur. De achterbuurman probeerde met de beperkte woordenschat waarover hij als nieuwkomer beschikte, uit te leggen dat er achter op de gemeenschappelijke parkeerruimte sprake was van een drama. De man klonk luid en opgewonden.


Bibberend in haar ochtendjas stelde Irene even later vast dat de achterbuurman wel enige reden tot klagen had. Omdat hun auto buiten stond kon de achterbuurman op het veel te krappe pleintje de draai niet maken en dus niet wegkomen. Normaal stond hun auto in de garage, of Loek was ermee naar zijn werk. Dit was nieuw. En hij moest zijn kinderen naar school brengen en zijn baas wachtte op hem, en … Irene bood aan de auto even weg te zetten. Ze rende naar binnen voor de autosleutels. Niet te vinden. Loek bellen. Na lang piekeren kwam Loek tot de conclusie dat de sleutels in het pak zaten dat hij in zijn rugzak had meegenomen. Terugfietsen was geen optie.


Irene rende weer naar buiten om de buurman het vervelende nieuws te brengen. De buurman, het kookpunt naderend, wees op het bestaan van reservesleutels. Weer Loek bellen. Loek had geen idee waar die zouden kunnen zijn. Hij herinnerde zich vaag dat zij, Irene, ze ooit in een kistje had gedaan.


Irene informeerde de buurman over de laatste stand van zaken. Die dreigde nu te exploderen. In haar totale wanhoop nodigde ze hem uit voor een kopje koffie. Dan zou zij intussen het kistje met de reservesleutels gaan zoeken. Net toen de buurman een slok koffie nam, stormden er drie krijsende kinderen die naar school gebracht wilden worden, de tuin in. Irene wist de situatie even te redden door het drietal een glas cola voor te zetten. Opnieuw rende ze naar boven om verder te zoeken naar het kistje.


Toen dat niet direct lukte, hoorde ze hoe de buurman beneden een begin maakte met het demonteren van de eetkamerstoelen. In paniek stormde ze de trap weer af en greep de buurman geheel overstuur bij de revers van zijn colbert. Op dat moment kwam de achterbuurvrouw binnendenderen die haar schoonmaakdienst er op had zitten. Ze trok Irene weg van haar echtgenoot, trok haar echtgenoot bij zijn haar het huis uit en deelde op angstaanjagende wijze mee dat die hoer hier nog niet klaar mee was. En haar familie zou wel zorgen dat de auto ergens anders werd neer gezet. Daar hadden haar broers geen sleutels voor nodig, liet ze strijdlustig weten.


Het duurde lang voordat Irene zover hersteld was dat ze in staat was om Loek opnieuw te bellen. Die begreep dat hij nu echt naar huis moest komen. Hij kon niet anders dan de nieuwjaarstoespraak van de nieuwe Amerikaanse interim-manager onderbreken om mee te delen dat er thuis problemen waren omdat zijn auto verkeerd geparkeerd stond.


Alle begrip, maar hij hoefde natuurlijk niet meer terug te komen.


Toen hij drie kwartier later het plein op reed stond zijn auto weer in de garage. Zonder dat daarvoor de garagedeur was opengemaakt. Irene kwam hem snikkend tegemoet en zei: ‘Ik ben bang dat dit nog maar het begin is, Loek.’



Espunt, 7 augiustus 2013