Waar rook is, is vuur

Kort verhaal van 23 december 2013

Mijn bijdrage aan de schrijfwedstrijd Ben even weg op Literair Werk

Waar rook is, is vuur



Werken, als je het zo noemen mag, doe ik tegenwoordig bij voorkeur in Café De Heerdt. Op dinsdag-, woensdag- en donderdagochtend heb ik daar mijn vaste werkplek, links achterin bij het raam. Als creatieveling leun ik sterk op vaste rituelen. Ik schaam me daar in het geheel niet voor, sterker nog, ik vergelijk mezelf graag met een andere creatieveling, Johan Cruyff. Die eiste dat hij als laatste speler en met rugnummer 14 het veld op kwam.


Zo is voor mij de plek bij het raam een kritische succesfactor. Maar eigenaar Koos heeft vanochtend blijkbaar even niet opgelet. Hoe kan er anders bij mijn binnenkomst een dame op leeftijd aan mijn tafel haar toilet zitten te maken? Ik mompel praktisch onhoorbaar goedemorgen en loop quasi-nonchalant door naar de tapkast waar het al net zo uitgestorven is als in de rest van de zaak. Op bedoelde dame na natuurlijk.


Omdat ik op dinsdagochtend, aan het begin van mijn werkweek ,altijd in een uitstekende stemming ben, duurt het even voor mijn humeur door de chagrijngrens zakt. Net op dat moment stijgt uit een luikopening achter de bar het blauwdooraderde stiltonhoofd van Koos op.


‘Even een nieuw vat aangeslagen,’ zegt Koos terwijl hij zich door het gat omhoog wurmt. Ik zeg niks maar wijs met een simpele hoofdbeweging richting de ongemakkelijke situatie bij het raam. Ik probeer Koos met gebaren duidelijk te maken dat hij een probleem heeft. Koos haalt zijn schouders op, pakt een bierviltje en schrijft erop: maak van de nood een deugd. Cruyffie zou gezegd hebben: Elk nadeel hep z'n voordeel. Niet helemaal hetzelfde maar het komt in de buurt.


Koos sjokt naar ‘mijn’ tafel, ik volg schoorvoetend, en vraagt aan de bezoekster of ze er bezwaar tegen heeft dat ik me bij haar voeg. Een genant verzoek natuurlijk gezien de galmende leegte waarin we ons bevinden. De dame draait zich soepeltjes om, slingert haar dikke vlecht over haar andere schouder en richt haar blik op mij. Ze neemt even een monstermomentje en lacht dan breeduit:


‘Hi stranger, come along.’


Haar stem klinkt vitaal en uitnodigend. Mijn chagrijn maakt vrijwel onmiddellijk plaats voor een onbestemd gevoel van verwachting. Ik besluit van de nood een deugd te maken. Terwijl Koos als goedmakertje het eerste rondje koffie aanbiedt, stel ik me voor. Rozemarie, zeg maar Roosje, is de reactie.


Bij een eerste, wat sluikse inspectie stel ik vast dat Roosje zeker geen doorsnee verschijning is. Ze zou mijn leeftijd kunnen hebben maar ze heeft duidelijk meer moeite gedaan dan ik om er een jaar of tien af te smokkelen. Haar make-up past bij een vrouw die nog midden in het leven staat, die nog gezien wil worden, die zich nog niet heeft overgegeven. Uitdagend rood haar, groene ogen met een jeugdige twinkeling en in zijn totaliteit een bepaald atletisch lijf. Ik houd het voor nu maar even op een aangename verschijning. Ik ben bang dat er voorlopig van werken weinig terecht zal komen.


Na de koffie buigt Roosje zich over de tafel naar mij toe en fluistert bijna sensueel: ‘Herman, wat denk je, kan ik hier veilig een peuk opsteken?’ Ze wijst naar de wanden bedekt met teksten die het roken moeten ontmoedigen. Ik zeg niks, maar haal triomfantelijk mijn pijp en een pakje Mac Baren (Aromatic Choice) tevoorschijn. ‘Ik ga je wat vertellen, Roosje,' zeg ik een beetje theatraal, ‘in geuren en kleuren.’


Ik ontmoet haar blik en ik voel me deelgenoot van een geheim, een complot, zoals vroeger als ik met mijn vriendjes op de hei een verdroogde bremstruik in de fik stak. Roosje knikt, lacht en zegt: ‘Wat leuk dat wij elkaar hier zijn tegengekomen.’


Ze tikt met een elegant gebaar een sigaret uit haar pakje Marlboro, ik voer mijn pijp na een lang weekend van onthouding en kort na elkaar branden we los. En dan vertel ik haar waarom ik op dinsdag, woensdag en donderdag rond tienen op mijn gemak naar mijn alternatieve werkplek loop. Hier dus. Café De Heerdt in de Dorpsstraat, naast de Michaelkerk. Ik vertel haar over Tilly, mijn vrouw, die zich uiteindelijk heeft neergelegd bij deze gewoonte. Over mijn ruime zolderkamer die jarenlang de vruchtbare broedplaats van ideeën, teksten en programma’s was. Vruchtbaar, niet in de laatste plaats door mijn brandende pijp die in open verbinding stond met de afdeling humor en satire van Plato’s ideeënwereld. Maar de pijp moest er aan geloven toen de asociale roker uit de gebouwde omgeving werd verdreven. Roosje glimlacht als ze merkt dat deze geschiedenis me hoog zit.


‘Het hele land ging toch voor de bijl? Niet dan? Hoe is het mogelijk dat al die SIRE-shit nooit wat oplevert maar dat deze anti-rookpropaganda wel aansloeg! Hoe dan ook, ook mijn eigenste Tilly liet zich meeslepen door die anti-meerooksekte. Zij wenste niet langer blootgesteld te worden aan mijn levensgevaarlijke uitstoot. Stikstoxyde, koolmonoxyde, aromatische koolwaterstoffen, ze weet er alles van. Als meeroker is ze een autodidact op het gebied van het binnenmilieu.‘


Roosje legt even haar hand op de mijne. Om me te kalmeren.


‘Ik heb die hele, onverkwikkelijke geschiedenis later nog een keer verwerkt in een meedogenloos stukje cabaret,’ zeg ik niet zonder trots. ‘Zelden zulk pissig publiek meegemaakt. Een succesnummer, dus.’


‘Jij bent cabaretier?’ vraagt Roosje.


‘Nou ja, misschien een beetje groot woord. Hou het er maar op dat ik probeer de oudere medemens even uit zijn treurige bestaan te verheffen.’


‘Spannend,’ zegt Roosje. ‘Cabaret over dat rookgedoe? Hoe ging dat?’


‘Ik trok een parallel met mijn vroege jeugd. De tijd dat ik wakker probeerde te blijven om te voorkomen dat ik ’s nachts zou komen te overlijden terwijl mijn kinderziel nog zwart van het zondigen was. Wat kleine spettertjes was nog te overzien: een paar eeuwen roosteren in het Vagevuur. Maar bij forse, donkere vegen was het foute boel. Daar lag je in die tijd als kind wakker van, kun je je datvoorstellen?’


‘Nou, daar zijn we in ieder geval mooi van verlost,’ zegt Roosje troostend. ‘Tegenwoordig gaan we onbezield door het leven. Dus voor die angst hoeven we niet bang meer te zijn. Hoe vind je die?’


‘Zeker, maar er is ook nog zoiets als de wet van behoud van angst. Die zielenangst, Roosje, is overgesprongen naar de nabijgelegen longen. En dus liggen we nu wakker van het hoesten omdat er vlekken op onze longen zitten. Longenangst. Hoe vind je die dan? Moraal van dit verhaal: er is in ons bestaan maar één constante: de angst voor de dood.’


‘En dat zegt meneer de cabaretier met een grote grijns op zijn gezicht,’ zegt Roosje quasi-verwijtend.


‘Natuurlijk, want dat is voor ons kunstenaars een zegen. Zeker voor de oudere artiest die niet meer kan imponeren met zijn imposante longinhoud, zijn soepele stembanden, zijn fysieke verschijning en zijn atletische vermogens. Die kan namelijk de universele sterfelijkheid op zichzelf gaan betrekken, Roosje. En zo houdt hij zijn publiek vast, snap je. Samen op weg naar het einde onder het motto: de mens lacht het meest om het lijden dat hij vreest.’


‘Vadertje Cats draait zich om in zijn graf. Maar vertel verder.’


‘Goed dan. Na een slopende periode van overmatige prikkelbaarheid en creatieve uitdroging bracht De Heerdt uitkomst. Roken is hier weliswaar ten zeerste verboden, en dat staat dan ook overal duidelijk aangegeven zoals je ziet, maar er wordt hier niet actief gehandhaafd, zal ik maar zeggen. De vaste gasten stoppen, als ze er aan denken, regelmatig wat in een stroppenpot zodat eigenaar Koos een eventuele boete kan betalen. Tot nu toe groeit het fonds alleen nog maar. De Heerdt is voor mij een vrijplaats, ook al omdat Tilly er geen voet over de drempel zal zetten. Het houtwerk van De Heerdt is verzadigd van teerderivaten. In De Heerdt rook je altijd mee ook als er niet gerookt wordt.’


‘Maar wat hebben dan al die teksten op de muur te betekenen?’ zegt Roosje terwijl ze om zich heen wijst.


‘Das meer een geintje. De vaste klanten hebben van Koos op de muur allemaal een vak gekregen. Daar kunnen ze hun ‘spaarzegels’ op plakken, de uitgeknipte waarschuwingsteksten op de pakjes: Roken is dodelijk. Als iemand een vak vol heeft, zingen wij, de vakkenvullers, samen het Hoestlied, waarna de grote zakkenvuller, Koos dus, een rondje geeft.’


‘Nee, hè, in wat voor speeltuin ben ik eigenlijk terechtgekomen?’ grinnikt Roosje. ‘Het Hoestlied! Ik moet ineens denken aan Robert Jasper Grootveld. Weet je dat ik die goed heb gekend?’


‘Maar die hoorde wel bij de tegenpartij. Daar is verdomme zo’n beetje alle ellende mee begonnen. De anti-rookmagier. De ideeënman van Provo. ’


‘Toch was dat ook helemaal te gek. Trouwens hij rookte zelf als een ketter. Weet je dat ik nog krenten heb uitgedeeld op zaterdagavond bij het Lieverdje? Agentje pesten. Robert Jasper had ook een soort Hoestlied. Hoe gaat jullie Hoestlied?’


‘Dat stelt echt niks voor.’


‘Ach toe, alleen het begin dan.’


Ik zing:


‘Uch, uch, uch, wij snakken hier naar luch


En rochelen uit volle borst: Koos wij hebben dorst’


‘Jouw tekst?’


‘Ik kan het niet ontkennen.’


‘Geinig. Maar dat begin heb je wel van Robert Jasper gejat,’ zegt Roosje bestraffend. ‘Geef toe.’


‘Je hebt gelijk. Robert Jasper begon altijd met Uche, uche, uche. Dat vond ik wel sterk. En je weet, beter goed gejat dan slecht verzonnen.’


Roosje sluit haar ogen en zucht: ‘Provo, de Sixties, wat een tijd! 1967, de Summer of Love.’


Het kost me geen enkele moeite om Roosje vijftig jaar terug in de tijd te plaatsen. Ze moet een absoluut stuk zijn geweest. Op blote voeten, bloemen in het haar, Wild Thing. En eerlijk gezegd is ze nog steeds mooi. Apart. Ik wil nu wel eens iets over haar weten.


‘Ik ben nu ook wel een beetje benieuwd naar jouw verhaal, Roosje.’


‘Even nog. Ik wil alleen nog weten wat je hier drie dagen per week uitspookt.’


‘Pijpje stoken. En werken.’


‘Ja, ja. Naar binnen, zeker.’


‘Ik werk hier aan mijn theaterprogramma’s, mevrouw. Met pijp en zonder pensioen. Kleine zelfstandige. Simpel zat. Nu jij.’


Roosje vertelt over haar balletcarrière. (Ik had het kunnen raden.) Ze had talent maar halverwege haar weg naar de top lieten haar middenvoetsbeentjes haar in de steek. Te jong op spitzen. Ik ben even van mijn a propos als ze met een superieure beheersing haar rechterbeen voor me op tafel legt en me opdraagt haar laars uit te trekken. Ik kijk snel even naar buiten om te zien of er geen bekenden passeren. Ik ben een groot liefhebber van het vrouwenbeen. En wat hier, zo maar, zonder dwang of verleiding is opgediend, is van een grote smakelijkheid. Ik voel iets van betovering. Door een heks of door een naïef vrouwenkind? Godfried Bomans schiet door mijn hoofd. Met Marlene Dietrich op het Grand Gala du Disque. Had mijn vrouw maar één zo’n been. Terwijl ik de laars uittrek, voel ik, en passant, de spanning van de kuit. Als de laars eenmaal uit is, maakt de ontblote voet duidelijk dat het leven geen free lunches kent. Vreemde welvingen wijzen op ernstige vergroeiingen. De prijs van de roem. Er klinkt gerinkel van glazen. Ik krijg een prikkend gevoel op mijn rug. Dat moeten de ogen van Koos zijn.


Roosje trekt haar been terug en zegt: ‘Het Zwanenmeer heeft me de das omgedaan. Eindeloze pas de bourré. Een hel. Toen het niet meer ging, ben ik een balletschool begonnen. Zoals de meeste danseressen vroeg of laat doen. Erg leuk. En als je er wat van maakt, kun je er goed van leven.’


‘En dat doe je nog steeds?’ vraag ik.


‘Ja, een beetje. Maar eigenlijk kan ik er beter mee stoppen.’


‘Hoezo?’


‘Te weinig leerlingen. Ik heb eerlijk gezegd de boot een beetje gemist.’


Roosje steekt een nieuwe sigaret op. Ik vraag wat er mis is gegaan.


‘Ik ben natuurlijk van het klassieke ballet. En ik ben er eigenlijk altijd vanuit gegaan dat kleine meisjes het liefst in een tutu rondlopen. Eerste positie, tweede positie, plié, battement, pirouette, je kent het wel. Heel lang was dat ook zo, maar tegenwoordig willen ze break dance. De b-boys en de b-girls en hun battles. Dat zien ze op MTV. Die b-boot heb ik een beetje gemist. Ik had er ook niks mee.’


‘Hoe ben je hier eigenlijk verzeild geraakt?’


‘Hoe bedoel je?’


‘Nou hier, in De Heerdt. Ik heb je hier nooit eerder gezien.’


Even valt er een schaduw over haar expressieve gezicht. Dan herpakt ze zich.


‘Ik heb vanochtend mijn man in jullie dorp afgeleverd.' Het klinkt misschien raar, maar zo voelt het. In het verpleeghuis. Alzheimer. Verdomd triest. Hij was een fantastische jazz-pianist. En om eerlijk te zijn is ie dat nog steeds. Pianospelen is eigenlijk het enige wat nog lukt. Ik zeg wel eens, hij is niet meer mijn man maar nog wel mijn pianist. Het is dus een soort van ramp dat hij in het verpleeghuis geen piano meer heeft. Ik moet echt iets verzinnen. Ze zijn op dit moment met hem bezig. Ik ga er straks weer heen. Zijn kamer een beetje inrichten. Je kent dat wel.’


‘Wat erg voor jullie. Herkent hij je nog?’


‘Soms. Van achter de piano. Als ik voor hem dans.’


Stilte. Dan gaat ze verder.


‘Ik liep hier langs. Ineens had ik even tijd voor mezelf. Een gek gevoel. Ik ben van nature niet zo’n kroegtype. Maar ik had gewoon zin in een bak koffie. Zodoende.’


‘Mag ik je dan nog een kopje koffie aanbieden?’ vraag ik omdat ik zo gauw geen sterkere tekst beschikbaar heb.


‘Graag.’


Dan vertel ik Roosje over mijn theateractiviteiten. En over de moeite die ik de laatste tijd moet doen om nog aan de bak te komen. Dat ik het vooral moet hebben van bejaardenhuizen en verpleeginrichtingen. Zo nu en dan een 50-jarig huwelijksfeest. Lang was ik aardig succesvol met mijn messcherpe satire. Maar daar zit mijn huidige publiek niet op te wachten. Dat is doof, volgt het nieuws niet meer en begint na een minuut of tien weg te dommelen. Ze willen zingen en een beetje spektakel. En het management ziet graag dat er wat te bewegen valt.


‘Maar hoe pak ik dat aan? In mijn eentje kom ik niet zo ver. Ik heb als performer gewoon te weinig variatie in huis, Roosje. Ik ben nooit een man van de salto's of de verdwijntrucs geweest. Het is niet anders.’


Roosje veert op. ‘Is dit een verkapt aanbod?’


‘Nou, nee.’ Even is het stil, dan valt mijn oog op het bierviltje van Koos en ik zeg: ‘Maar nu je er zelf over begint zou ik bijna zeggen: als het lot iets wil, is verzet bij voorbaat zinloos.’


‘Probleem is: ik weet niet wat het lot wil. En jij ook niet, Herman!’


Roosje pakt mijn handen en kijkt me aan. Lang. Ze proeft mijn nieren. Of misschien mijn longen. Wie betovert hier wie? Roosje wint, mijn blik zwaait af. Richting de piano achter in het lokaal. Er schieten zo maar nieuwe ideeën door mijn hoofd.


‘Ik durf het bijna niet te zeggen,’ begin ik aarzelend, ‘maar heb je gezien dat we hier een piano hebben?’


Roosje draait zich om. ‘Ja, en?’


‘Nee niks, laat maar.’


Maar het is al te laat. Ze begint te stralen. Ze staat op, trekt haar jas aan en zegt:


“Ik ben even weg.”



Espunt, 23 december 2013

Bijdrage aan LW-wedstrijd Ben even weg