Drie keer niks

Sprookje

Kort verhaal, 29 december 2012

Driekeerniks (een sprookje)



Er was eens een koning die regeerde over het kleine koninkrijkje Puntland. Zijn naam was Pompus II, maar de meeste onderdanen zeiden Pompus omdat Pompus I bij niemand bekend was. Zijn burcht stond op een steile rots en bood uitzicht over het havenstadje waar hij koning over was. Verder landinwaarts lagen nog drie dorpjes die volgens de koning ook tot zijn koninkrijk behoorden. Zijn ministers twijfelden daaraan. Hoge bergen, diepe ravijnen en een slecht klimaat maakten de drie dorpjes praktisch onbereikbaar.


Soms vroeg de koning aan zijn ministers hoe het ging in de dorpjes. De minister van Binnenlandse Zaken zette dan direct zijn ambtenaren aan het werk. De minister van Financiën deed hetzelfde. En elke keer kwamen de ministers met dezelfde boodschap terug: er was al meer dan vijftig jaar geen contact geweest en er was in die periode uit de dorpjes ook geen belasting ontvangen.


Dan werd de koning heel boos en verving zijn ministers door nieuwe. Die wisten op hun beurt dat ook hun ministerschap van korte duur zou zijn. Maar het was toch de moeite waard want ze ontvingen na hun ontslag voor de rest van hun leven een klein pensioentje.


Veel onderdanen waren ooit minister geweest, sommigen zelfs een tweede keer wat een dubbel pensioen opleverde. In zijn boosheid riep de koning vaak: ‘Nou weet ik waarom ik zo arm ben. De ene helft van mijn onderdanen betaalt geen belasting en de andere helft ontvangt een pensioen. Volgens mij doe ik iets niet goed.’ Zijn ministers knikten dan instemmend en lieten het er verder bij.


Maar de koning kende ook blijde momenten. Soms kwamen er wel eens belangrijke gasten bij hem op bezoek. Hij was tenslotte wel een echte koning al stelde het allemaal niet veel voor. En koningen weten dat ze zo nu en dan bij elkaar op bezoek moeten gaan om erger te voorkomen. Op veel koninklijke toiletten kwam je tegeltjes tegen met teksten als: ‘Op zijn tijd een goed glas wijn scheelt veel oorlog en chagrijn’. En dus kwamen er soms voorname gasten langs om een goed glas wijn te drinken.


Onze koning nam zijn voorname gasten dan mee naar een aparte ruimte in het kasteel waar een grote kaart aan de muur hing, en dan vertelde hij vol trots over zijn land. En vooral over de drie dorpjes waar hij, gek genoeg, zelf nog nooit was geweest, maar dat vertelde hij er natuurlijk niet bij. Hij sprak ook niet over dorpjes maar over steden. Belangrijke steden. En terwijl hij aan het woord was, hanteerde hij met zwierige gebaren een goudgepunt aanwijsstokje van coromandelhout waarmee hij rode stippen op de kaart aanwees.


‘Kijk,’ zei de koning dan, ‘hier ligt de belangrijke stad Modderbad. Daar komt ons voedsel vandaan. Goudgeel graan voor het heerlijkste brood, romige melk voor moddervette kaas, mals vlees met een klein vetrandje en prachtig fruit. Altijd twee oogsten, soms zelfs drie als de winterwind uit de goede hoek komt.’


De koning werd altijd vrolijk als hij over Modderbad vertelde omdat de belangrijke gasten zichtbaar jaloers werden als ze al dit moois hoorden.


Met een koninklijk gebaar bewoog hij de gouden punt vervolgens van Modderbad naar een andere rode stip op de kaart. ‘En hier ligt een stad die ik zonder aarzeling bijzonder zou willen noemen,’ sprak hij dan gewichtig. ‘Spijkergat is een centrum van nijverheid. Daar leven en werken onze beste ambachtslieden.’


De koning vertelde over de bijzondere producten die uit Spijkergat kwamen. De allerfijnste sieraden, zwaarden waarmee je rotsen kon klieven, prachtige weefsels, geglazuurd aardewerk en degelijk eikenhouten meubilair.


Als de belangrijke gasten dan lieten weten dat ze daar graag eens een kijkje zouden willen nemen, glunderde de koning want hij zag dat de belangrijke gasten bijna barstten van de afgunst. Maar een kijkje nemen in Spijkergat was er niet bij. Stel je voor dat bekend werd hoe je zulk sterk staal maakt, of hoe je onbreekbare potten, kruiken en schalen fabriceert! Nee, dat moesten de belangrijke gasten toch begrijpen.


En tenslotte, als klap op de vuurpijl, landde het aanwijsstafje met de gouden punt met een plof op de derde rode stip op de kaart. Dan zweeg de koning even en keek hij de belangrijke gasten een voor een diep in de ogen. En dan zag hij in die ogen verbeten nieuwsgierigheid. Welke wonderbaarlijke zaken zouden hier wel niet vandaan komen, zag hij ze denken. En hoe wijs moest deze koning niet zijn dat er zulke voortreffelijke dingen gebeurden in zijn rijk. ‘Hier, hooggeëerde vrienden, hier in Ladderzat produceren wij de dranken waar dit land zo beroemd om is. Ons zwarte bier, en onze anijswijn.’


Het plechtig uitspreken van het woord anijswijn was voor de lakeien het teken om in actie te komen. Met zekere pas, met opgeheven kin en in goudgestikte livrei stapten zij naar binnen met dienbladen vol anijswijn uit Ladderzat, uitgeschonken in prachtige kristallen glazen uit Spijkergat, en met heerlijke hapjes uit Modderbad. ‘Laat ons drinken op de vriendschap tussen onze volken,’ zei de koning dan terwijl hij het glas hief. De belangrijke gasten beantwoordden de wens van de koning met groeiende tegenzin en wisten vervolgens niet hoe snel ze weg moesten komen. Terneergeslagen omdat het in dit land allemaal zo goed leek te gaan en chagrijnig omdat hun gastheer zo’n onuitstaanbare opschepper was.


En dat zet kwaad bloed. Steeds meer belangrijke gasten keerden naar hun land terug met het idee dat ze deze opgeblazen praalhans eens een lesje moesten leren. Wat dacht ie wel met zijn Modderbad, zijn Spijkergat en zijn Ladderzat.


De belangrijke gasten waren weer naar huis. Hij had ze vanaf het havenhoofd uitgezwaaid. Een paar dagen na het bezoek was de koning in vergadering bijeen met zijn ministers om het hele gebeuren te evalueren. Wat was er goed gegaan, wat kon beter? Als er geen belangrijke gasten waren, was de koning altijd een beetje uit zijn humeur. En waar hij al helemaal niet tegen kon, was het commentaar van zijn minister van Buitenlandse Zaken die altijd aanwezig was bij buitenlands bezoek.


Deze minister wist dat het verhaal van de koning geheel uit de koninklijke duim was gezogen. En ook nu waarschuwde hij de koning dat het nog een keer helemaal verkeerd zou aflopen met zijn verhalen over Modderbad, Spijkergat en Ladderzat. De brave man wist dat dit het einde van zijn ministersloopbaan betekende en hij sloot zijn waarschuwing dan ook af met de woorden: ‘nou, dan ga ik maar’.


Op hetzelfde moment werd er nogal opgewonden op de deur geklopt. ‘Entree,’ riep de koning, die graag wilde laten zien dat hij zijn talen beheerste. Er struikelde een Kamerheer naar binnen die stamelde:


‘Sire, er hebben zich drie nogal ruwe types gemeld die u graag willen spreken. Hoogste urgentie.’


‘Waar komen ze vandaan,’ zei de koning, ‘en wat hebben ze te melden?’


‘Een zegt dat hij uit Modderbad komt, de tweede zou in Spijkergat wonen en de derde kon ik niet goed verstaan. Wat ze te melden hebben, wilden ze niet zeggen. Ze hebben een boodschap voor u. Een belangrijke boodschap. En die kunnen ze alleen mondeling overbrengen.’


Dit klonk zo ernstig dat koning opdracht gaf het drietal binnen te laten. Dan kon hij gelijk eens horen hoe de zaken er in het ontoegankelijke deel van zijn koninkrijk voorstonden.


De Kamerheer spoedde zich terug naar de bezoekers, de koning en zijn ministers in grote verwarring achterlatend.


‘Iemand een idee wat deze lieden komen doen?’ vroeg de koning aan zijn ministersploeg. Even bleef het stil.


Toen zei de koning: ‘We gaan de tafel maar eens langs.’


De minister van Buitenlandse Zaken hoopte dat het eindelijk duidelijk werd waar het buitenland begon zodat hij zijn beleid daarop kon afstemmen. De minister van Financiën hoopte dat de delegatie een zak achterstallige belasting meebracht, want door de oplopende pensioenuitkeringen kwam de bodem van de schatkist in zicht. En zo had elke minister wel een verstandige opmerking. De koning was trots op zijn ministers.


Er werd opnieuw geklopt. Direct daarop wankelden er drie zwervers naar binnen, te vies om aan te pakken en omgeven door een zurige geur van etterende wonden en buikloop vermengd met de verstikkende lucht van oud en doorleefd zweet.


‘Juist,’ sprak de koning ontdaan terugdeinzend, ‘eigenlijk zou ik jullie direct door moeten sturen naar het badhuis. Jullie zijn er niet best aan toe.’


Behalve de belabberde lichamelijke toestand was ook de kleding van het drietal uitgesproken haveloos. De inwoner van Modderbad, die zich voorstelde als Valerius Bagger, deed de naam van zijn dorpje eer aan. Hij stond stijf van de opgedroogde blubber. Zijn kameraad uit Spijkergat, die zich na een moeizame buiging voorstelde als Dram Popnagel, werd blijkbaar ernstig geplaagd door jeuk. Terwijl hij zelf zonder ophouden langs zijn benen krabde zodat er een wolk van huidschilvers uit zijn broekspijpen neerdwarrelde, ragde Valerius Bagger liefdevol over de rug van zijn geplaagde tochtgenoot.


‘En hoe heet onze derde gast?’ wilde de koning weten.


Er klonk een onsamenhangend geluid waarvan de betekenis de koning ontging.


‘Hoe heet jouw maat, Dram?’


‘Hopman Volleblaas, sire,’ zei Dram. ‘Het is geen vlotte prater.’


‘Juist,’ zei de koning, ‘even repeteren: Valerius Bagger, Dram Popnagel en Hopman Volleblaas. Jullie kleding kan me niet echt bekoren, maar die namen maken een hoop goed. En nu wil ik wel eens weten wat jullie hier brengt.’


Valerius Bagger nam het woord:

‘Wij komen om hulp. Of goede raad. Er heeft zich een gezant gemeld in Modderbad die meedeelde dat hij sprak namens een groep hoge heren die graag een keer met eigen ogen wilden zien welke wonderen er in Modderbad, Spijkergat en Ladderzat plaatsvinden. Of we ze wilden ontvangen en rondleiden.’


‘Hoe zijn ze op dat idiote idee gekomen?’ wilde de koning weten.

‘Volgens de gezant hadden ze dat van u vernomen, sire,’ zei Valerius zachtjes omdat hij bang was dat de koning dit liever niet wilde horen.


De koning schrok en keek naar zijn minister van Buitenlandse Zaken. Maar die was al vertrokken.


‘Misschien wilt u mij toestaan mijn verhaal af te maken, sire?’ zei Valerius met trillende stem.

De koning voelde de bui al hangen. Hier kwam gedoe van. Veel gedoe. En hij had helemaal geen zin in gedoe. Hij had geen minister van Gedoe. Als er gedoe van kwam kreeg hij het zelf op zijn witte boterham met goudbruine korstjes.


Goede raad was duur. Hij moest dit drietal kwijt. Ze prikkelden zijn gevoelige zenuwgestel. Hij stond op van zijn troon en liep peinzend naar een groot wandtapijt waar een jachttafreel op was geborduurd en schoof er voorzichtig achter. Slechts een nauwelijks zichtbare wappering van het wandtapijt verraadde de hoge nood van de koning. Duidelijk opgelucht kwam hij weer tevoorschijn. Eén probleem opgelost. Nu nog die treurige landlopers de deur uit en dan kon hij misschien nog even naar het strand voordat het vloed werd.


Hij nam weer plaats op de troon en zei:

‘Beste Valerius, wat is er zo bijzonder aan Modderbad?’


Valerius Bagger haalde zijn schouders op en zei: ‘Ach, we produceren het heerlijkste voedsel, maar dat doen we al zo lang dat we het zelf niet bijzonder meer vinden.’


De koning was verbaasd en zei: ‘En, Dram, hoe zit het met Spijkergat?’


‘Ach,’ zei Dram, ‘ons staal is natuurlijk uitzonderlijk sterk en onze weefsels zijn oogverblindend. Maar we weten niet beter. Mijn grootvader kon het ook al, zal ik maar zeggen.’


De koning wist niet wat hij hoorde en zei: ‘Dan ben ik toch wel een beetje benieuwd wat Hopman Volleblaas hier nog aan toe te voegen heeft. Ik kan het bijna raden.’


Valerius gaf zijn maat een stomp tegen zijn schouder, maar Hopman Volleblaas kwam niet verder dan wat onsamenhangend gesputter. De koning was echter zo overtuigd door de berichten van Valerius en Dram dat hij de moeizame verklaring van Hopman als aanvullend bewijs beschouwde voor de kwaliteit van het zwarte bier en de anijswijn. Hoe was het mogelijk dat zijn fantastische verhalen, puur verzonnen, op waarheid bleken te berusten. Dit was magie, een andere verklaring was er niet. Dit was hem door hogere machten ingefluisterd. Hogere machten die blijkbaar het beste met hem voor hadden. Dit was een machtig teken dat hij ook echt als heerser over Modderbad, Spijkergat en Ladderzat gezien werd.


De koning stond op van zijn troon en zei: ‘Beste vrienden, natuurlijk laat ik jullie niet in de steek. Ga terug en meldt de hoge heren dat ik ze zal ontvangen. We beginnen volgende week maandag in Modderbad. Zorg dat de producten van het land overal goed zichtbaar tentoongesteld worden. Daarna neem ik ze mee naar Spijkergat. Daar gaan we de smederijen en weverijen bezoeken. Maar we laten niet het achterste van onze tong zien. Dat doen we pas in Ladderzat. Daar sluiten we af met een feest waar nog lang over gesproken zal worden aan de hoven. Het zwarte bier en de anijswijn zullen rijkelijk vloeien. Zeg aan de brouwers dat ze er nog een schepje bovenop doen. De rekening mag hier naartoe. En nu in de tobbe en dan als de wiedeweerga terug naar jullie prachtige steden waar we allemaal zo trots op zijn.’


De volgende dag keerde het drietal terug. Maar niet naar Modderbad, Spijkergat en Ladderzat. Ze liepen met een grote boog naar de kust waar ze opgewacht werden door een vreemd schip dat zich verborgen had gehouden in een baai. Een schip dat door een grote groep naburige koningen op pad was gestuurd om hun collega-koning een lesje te leren.


‘Volgende week maandag in Modderbad,’ zei Hopman, die ineens weer goed uit zijn woorden kwam, tegen de kapitein. ‘Die idioot is er helemaal ingetrapt. En dan Spijkergat. En het slotfeest is in Ladderzat. Ik kan niet wachten.’


De kapitein gaf de drie komedianten een groot compliment. Het eerste deel van de list was gelukt. De drie dorpjes hadden ze al eerder verkend. Het stelde allemaal niets voor. Er woonden wat arme sloebers die de grootste moeite hadden het hoofd boven water te houden. De kapitein had de arme sloebers verteld dat er binnenkort een vreemde koning zou arriveren die net zou doen alsof hij de baas was over de dorpjes.


‘En wij zeker van onze armoe ook nog eens belasting betalen?’ hadden de arme sloebers boos geroepen. ‘Mooi niet.’


‘Laat dat maar aan ons over,’ had de kapitein toen gezegd. Om zijn goede bedoelingen te onderstrepen had hij wat etenswaar uitgedeeld.


Kort na het bezoek van Valerius Bagger en zijn maten, ging de koning op pad met een aanzienlijk gevolg.


‘Het moest er toch een keer van komen,’ zei hij tegen zijn nieuwe minister van Buitenlandse Zaken. ‘Dit is eigenlijk wel een mooie aanleiding om mijn gezag in het hele koninkrijk weer eens te bevestigen.’


Hij had de kaart goed bestudeerd en het leek hem verstandig om zoveel mogelijk over water te reizen. Na een vermoeiende tocht bereikte het gezelschap enigszins gehavend het dorpje Modderbad. Voor de koning zelf viel het nog mee, hij zat in een draagstoel met een dakje erboven zodat hij niet nat werd. Maar voor zijn medereizigers was het geen pretje. Er ging dan ook een zucht van verlichting door de groep toen men op een bordje stuitte waar iemand met onzekere hand Modderbad op had geschilderd.


‘Het ergste hebben we nu gehad,’ riep de koning vanaf de draagstoel, niet vermoedend dat het ergste nog moest komen. De modderlaag werd namelijk snel dikker en de zuigkracht nam toe. Al spoedig was er weinig koninklijks meer aan de stoet. Ze passeerden enkele armoedige hutjes waar kinderen met snottebellen angstig door kieren naar buiten loerden. Tot ze bij een verweerd bord kwamen waarop stond: Tot Ziens in Modderbad.


‘Ik vrees dat we Modderbad al weer uit zijn,’ zei de minister van Buitenlandse Zaken terwijl hij voor alle zekerheid nog even omkeek. Hij werd onmiddellijk ontslagen.


De ontreddering bij de koning en zijn gevolg was groot. Waar waren de heerlijke streekproducten? En waar was het middeleeuwse stadhuis waar men in afwachting van de komst van de belangrijke gasten zijn intrek kon nemen? Spijkergat was misschien een betere keuze. Als de belangrijke gasten arriveerden moest een arme Modderbadder maar doorgeven dat de koning op hen wachtte in Spijkergat.


Helaas was het in Spijkergat niet veel beter. Wat heet, het was er nog veel beroerder. Spijkergat was een verzameling holwoningen waar een aan lager wal geraakte vossenfamilie nog niet wilde wonen. Geen spoor van meubelmakerijen en pottenbakkerijen. De koning begon nu een beetje aan zichzelf te twijfelen. Maar waar hij veel meer aan twijfelde was aan de bekwaamheid van zijn ministersploeg. Hij ontsloeg ze vanwege ernstige onkunde, maar ze mochten wel zonder portefeuille mee blijven reizen omdat de stoet anders wel erg mager werd.


‘Ik kan toch moeilijk mijn tijdelijke intrek nemen in zo’n hol,’ zuchtte de koning ontdaan. ‘Laten we hopen dat Ladderzat alle teleurstellingen goed maakt.’


Tegen een kleine beloning was een van de holbewoners wel bereid om de belangrijke gasten, als ze kwamen, te melden dat de koning hen verwachtte in Ladderzat.

Maar ook in Ladderzat vond de koning niet wat hij had gehoopt. Een bijna onleesbaar geworden naambord gaf aan dat er inderdaad ooit een plek was geweest met de naam Ladderzat. Maar het gehucht was zo te zien al lang geleden verlaten en de reden was ook wel duidelijk: het was een grote, dorre zandvlakte zonder enig spoor van leven.


Het klinkt misschien wat vreemd, maar dit was de druppel die de psychologische emmer van de koning deed overlopen. Hij begreep het niet meer. De verhalen van Valerius Bagger en Dram Popnagel waren toch glashelder geweest? Hij had het toch niet allemaal gedroomd of verzonnen? Wie was hier nu gek?


Net toen de koning tot de conclusie kwam dat hij dat misschien zelf wel was, kwam een lakei met het bericht dat er een ruiter aan de horizon was gesignaleerd. De koning keek schichtig om zich heen of hij zich ergens kon verstoppen. Maar het was al te laat. De ruiter stond al voor hem. Hij ontrolde een perkamenten rol en las voor:


‘De gezamenlijke koningen van de overkant verklaren hierbij dat zij koning Pompus II vanwege langdurige en tenenkrommende blaaskakerij niet langer erkennen als heerser over geheel Puntland. Vanaf nu zal hij zich tevreden moeten stellen met Modderbad, Spijkergat en Ladderzat, de drie belangrijke steden waar hij altijd al zo trots op was. Wij komen graag weer eens langs als er goed nieuws te melden is uit Modderbad, Spijkergat of Ladderzat. Tot dan wensen wij hem en zijn onderdanen veel geluk en voorspoed.’


De ruiter maakte een buiging, besteeg zijn paard en verdween bulderend van de lach uit het zicht. De koning keek vertwijfeld om zich heen. Ministers zonder portefeuille, waar hij ook keek.


‘Nou,’ zei de koning, ‘wie?’


De minister van Binnenlandse Zaken deed een stap naar voren en zei: ‘Misschien moeten we beginnen met een volkstelling.’ De koning knikte. Alles was nog niet verloren.


Espunt, 29 december 2012