Magisch Realisme

Kort verhaal, 6 maart 2016

Magisch realisme


‘Breng maar naar de kringloopwinkel,’ had mijn vader zonder enig spoor van mededogen gezegd. ‘Wat moet ik nog met al die troep. Weg ermee. Opgeruimd staat netjes.’

Hij had het over de spulletjes van mijn moeder, maar het klonk alsof hij het over mijn moeder zelf had.


Ik weet nog precies hoe ik me op dat moment voelde: ijskoud en vol van haat. En ik weet ook nog precies dat ik die man, het woord vader kreeg ik al veel langer nauwelijks meer over mijn lippen, nooit meer wilde zien.


‘Ik zal het regelen,’ zei ik bijna onhoorbaar en ging in stilte verder met het opruimen van de enige kamer in dit vijandige huis waar mijn moeder in al die trieste jaren nog een beetje zichzelf had kunnen zijn. Hier sliep ze, hier had ze zich ingegraven tussen haar geliefde boeken, hier speelde ze fluit en hier probeerde ze met allerlei medicinale en technische middelen haar reuma op een leefbaar niveau te houden.


Mijn vader bleef nog even in de deuropening staan, zei toen ‘mooi zo’ en verdween naar beneden. Ongetwijfeld naar het souterrain, naar zijn bunker, waar hij zo lang zijn nieuwe magische trucs had bedacht en geproduceerd. Eerst voor hemzelf, later voor derden. Ze stonden in de rij, de topillusionisten, altijd en soms bijna radeloos op zoek naar nieuwe, fantastische effecten.


Mijn vader was zo goed dat hij er prima van kon leven. De nieuwe projecten waaraan hij werkte, waren goud waard. De bunker was dan ook zwaar beveiligd. Wie er binnen wilde komen moest enkele van mijn vaders beste trucs beheersen. Om te voorkomen dat hij op een of andere wijze gevolgd zou worden, of nog erger, met een wapen gedwongen zou worden criminele elementen binnen te laten, had hij de toegang tot de bunker gecompartimenteerd. In de tweede sluis kon hij zo maar uit beeld verdwijnen en ongezien een volgende geheime deur passeren.


Het kost me de grootste moeite om met enige waardering over mijn vader te spreken, maar ik kan niet ontkennen dat hij op zijn gebied een fenomeen was. Als kind ben ik zeker trots op hem geweest, bijvoorbeeld als hij op mijn verjaardagsfeestje had opgetreden en ons kinderen in totale verwarring had achtergelaten. We zochten dan in alle hoeken en gaten naar verdwenen konijnen en ontsnapte duiven. Op de basisschool werd ik gezien als de dochter van Doctor Faustus, zoals mijn vaders artiestennaam toen luidde. Ze hadden me er graag mee geplaagd als ze niet zo bang voor hem waren geweest. En niet alleen kinderen waren bang voor hem.


Op een gegeven moment heeft hij zich teruggetrokken uit de wereld van illusie en vrolijk bedrog. Hij wijdt zich nu al weer vele jaren aan nog vreemdere zaken. Hij besteedt al zijn tijd aan een beroemd Middeleeuws boek, het Voynichmanuscript dat in een geheimtaal is geschreven. Als het geen flauwe grap is, acht ik hem, met zijn wonderlijk functionerende brein, in staat om de tekst, waar al zoveel geleerden hun tanden op hebben stukgebeten, te ontcijferen.


Ik had niet verwacht dat ik, zo kort na de begrafenis van mijn moeder, al weer op weg zou zijn naar de man die haar kapot heeft gemaakt en die ik meer dan wie ook haat. Waarom doe ik dit? Voor wie? Ik had me voorgenomen hem uit mijn leven te bannen. Waarschijnlijk was het hem niet eens opgevallen als ik was verdwenen. Maar een paar dagen geleden gebeurd er iets dat me toch weer aan het denken heeft gezet. Niet iets dat sympathie heeft opgewekt, of medelijden. Nee, dat zeker niet, maar wel iets dat me ertoe heeft bewogen om hem toch nog een keer te confronteren met de manier waarop hij het leven van mijn moeder en mij, maar vooral van mijn moeder, heeft verwoest.


Hij heeft haar meegetrokken in een sadistische maalstroom waaruit geen ontsnappen mogelijk was. ‘Jij bent mijn grootste act, Quirine, dat weet je,’ hield hij haar regelmatig voor. ‘Jou te laten verdwijnen, voorgoed, dat zal de meestertruc van Doctor Faustus zijn.’ Dan keek hij haar aan, strekte zijn armen naar haar uit en fluisterde: ‘Dat weet je toch Quirine?’ En dan knikte mijn moeder, als een hulpeloos vogeltje, en leek even weg te zakken in een soort sluimering. Een enkele keer was ik getuige van zo’n ‘hoogtepunt’ in dit wrede drama dat zich tergend langzaam voltrok. Ik lag daarna weer nachtenlang wakker, geplaagd door de meest zwarte visioenen.


Ik ben op weg naar mijn vader met een pakketje bankbiljetten. Alles bij elkaar 2300 euro. Dat ga ik hem geven. Aangetroffen, of beter verstopt, in de infraroodcabine die mijn moeder gebruikte om haar reumatische pijnen te verlichten. Samen met de andere spullen was de cabine bij de kringloop beland en daar hadden ze bij het schoonmaken en inspecteren van het toestel het geld aangetroffen. Omdat ik er regelmatig even binnenloop, kennen de vrijwilligers me wel en wisten ze dat de infraroodcabine door mij was aangeleverd. En dus kwamen ze, toen ze me zagen met hun vondst op de proppen. Ik mag wel zeggen dat ik hoogst verbaasd was. Ik heb het geld aangenomen en een mooie beloning achtergelaten. Ik had eerlijk gezegd gehoopt dat ik verlost was van mijn ouderlijke omgeving. Moeder overleden, vader door mij al veel langer dood verklaard. Maar zo simpel zit het leven blijkbaar niet in elkaar.


Het spreekt voor zich dat ik mijn hersenen heb gepijnigd met de vraag hoe deze onverwachte vondst te duiden. Allereerst: hoe kwam mijn moeder aan dat geld? Alle financiële zaken liepen via mijn vader. Na het sluiten van zijn "toverwinkel" leefden ze van het kapitaal dat hij met doorgezaagde weesmeisjes en in rook opgaande olifanten bij elkaar had geknutseld.


Tweede vraag: waarom had zij zoveel geld verstopt in haar infraroodcabine? Ik kwam er niet uit. Er was maar één optie: naar mijn vader en hem confronteren met deze feiten. Wie weet wat hij bereid was mij nog toe te vertrouwen. Want ook zijn leven was de slotfase ingegaan. Misschien waren er in de dagen na het overlijden van mijn moeder wel kleine barstjes gekomen in zijn dichtgetimmerde visie op het bestaan. Misschien had de nieuwe situatie ruimte geschapen voor enige reflectie op dat bestaan en op zijn verhouding met de wereld. Misschien. Misschien. Hoge verwachtingen had ik daar niet over. Daar kende ik mijn vader, ondanks al zijn geheimen en zijn grote zwijgen, net te goed voor.


Als ik mijn ouderlijk huis nader voel ik een bijna lijfelijke afkeer opkomen. Het liefst zou ik omdraaien, het geld aan een goed doel schenken en deze hele geschiedenis zo snel mogelijk vergeten. Ik doe het voor mijn moeder, houd ik mezelf voor. Het moet.


De oude villa wordt bijna aan het zicht onttrokken door de verwilderde tuin waar zeker dertig jaar niets meer aan is gedaan. Ik heb mijn bezoek niet aangekondigd. Enerzijds om te voorkomen dat ik gelijk zou worden afgepoeierd en anderzijds omdat mijn vader een grondige hekel heeft aan de telefoon. Bellen doet hij als het nodig is, maar zo maar gestoord worden door een rinkelende telefoon is bijna onverdraaglijk voor hem.


Ik wring me door het tuinhekje dat gelukkig op een kier staat, en dat al heel lang, omdat er geen beweging meer in te krijgen is. Er brandt licht achter de ramen van het souterrain. Ik trek aan de bel en wacht met kloppend hart. Als er na een tijdje niks is gebeurd, trek ik nog een keer. Harder. Net als ik op het punt sta om op een van de souterrainruiten te kloppen, hoor ik gestommel en gewrik van sleutels en schuiven.


‘Zie je wel, ik voelde dat het zin had de poort te openen. Ada, wat een verrassing. Kom binnen. Je hebt vast iets belangrijks te melden.’


Even durf ik hem aan te kijken. Hij ziet er oud uit. Veel ouder dan ik in mijn hoofd had. Heeft hij toch ook geleden onder de afwezigheid van mijn moeder? Alleen zijn blik is nog hetzelfde. Priemend. Dwars door je heen. Niets ontziend, alles ziend.


‘Doe je even je jas uit? Of heb je haast?’

Ik maak mijn jas los. Er is iets met hem. Maar wat? Zo’n vraag: doe je even je jas uit? Zo ken ik hem niet.

‘We gaan maar even in de voorkamer zitten, vind je niet?’

Ik kan me niet herinneren dat we daar ooit zaten. De grote kamers en suite op de begane grond werden hoogst zelden gebruikt. Mijn moeder zat in haar holletje, mijn vader leefde in zijn bunker.


‘Kan ik iets voor je inschenken, Ada? Vijf uur, dan mag het wel, vind je niet?'

Het lijkt me verstandig om voorlopig maar even in zijn flow mee te bewegen.

‘Doe maar een glaasje rood.’


Ik zie hem wegsjokken en begin nu ernstig aan mezelf te twijfelen. Is dit de man die ik al zo lang en zo grenzeloos haat? Ik kijk om me heen en herken niets van alles wat hier al zo lang staat en hangt. De kamer van een illusionist, gaat het door me heen.


‘Zo,’ zegt hij nadat hij een glas rode wijn voor me heeft neergezet, ‘waar drinken we op?’


Mijn God, gaat het door me heen, wat is er met hem gebeurd? Dit klinkt bijna opgewekt. Het zal toch niet….? Is dit vreugde omdat hij eindelijk verlost is van mijn moeder? Of nog wranger, omdat zijn laatste grote truc is volbracht zoals hij mijn moeder jarenlang heeft voorgehouden? Haar verdwijning uit deze wereld? Is hij echt zo gek? Dan is het dus gewoon een psychopaat. Alles wees daar natuurlijk ook op. Al heel lang. Maar misschien heeft hij wel een belangrijke ontdekking gedaan bij het ontcijferen van dat mysterieuze boek waar hij al jaren mee bezig is. Dat is een heel ander verhaal.


‘Op de zielerust van mamma,’ zeg ik in een opwelling. Ik schrik er zelf van. Heb ik nu alle verbindingen verbroken?

De man tegenover me kijkt me aan zoals alleen hij iemand aan kan kijken. Lang. Kwellend lang. Dan zegt hij:

‘Ja, laten we daar op drinken. Het is toch je moeder.’

‘En uw vrouw,’ vul ik aan.

‘De man tegenover me knikt en zwijgt. Na een lange stilte zegt hij:

‘Wat heeft jou hierheen gebracht, Ada?’

Ik duik in mijn tas en leg de stapel bankbiljetten, meest vijfjes en tientjes, voor me op tafel. Nu ben ik even de illusionist en de man tegenover me de verbaasde toeschouwer.

‘Wat heeft dit te betekenen?’ zegt hij. ‘Je weet dat ik me niet laat omkopen. Grapje.’

‘Dit geld hoort hier thuis,’ zeg ik. ‘Van mama geweest.’

‘Dat moet een vergissing zijn. Je moeder had nooit geld en zeker niet zo veel. Hoeveel is het?’

‘Er zat 2300 euro verborgen in de infraroodcabine die ik naar de kringloop heb gebracht. Ik heb ze voor hun eerlijkheid 250 euro laten houden. Ik hoop dat u dat niet onredelijk vindt.’

‘Hoe is het mogelijk! Daar moet ze heel lang over hebben gedaan. Anders had ik het zeker gemerkt. Tja, ik moet toegeven dat ze me een paar keer te pakken heeft gehad. Moeilijk om toe te geven, geloof me maar. Illusionisten zijn nu eenmaal control freaks. The devil is in the detail. Een beetje illusie bestaat niet, net zo min als een beetje zwanger.’

‘Heeft u enig idee wat mama met dat geld van plan geweest kan zijn?’

‘Natuurlijk. Vluchten. Ze wilde weg. Vluchtgeld Ada. Vluchtgeld.’


Het wordt me te veel. Ik breek en huil en huil en huil. Het beeld van mijn gepijnigde moedertje dat jarenlang met vijfjes en tientjes haar vrijheid bij elkaar probeert te husselen. De haat komt weer boven, sterker dan ooit. De man tegenover me staat op, komt naar me toe en probeert met zijn grote witte zakdoek mijn tranen te stelpen. Ik sla hem van me af.


Hij loopt naar een oude eikenhouten kast, haalt er iets uit, gaat weer tegenover me zitten en zegt:

‘Ada, ik weet dat je me haat. Je hebt het volste recht om me te haten. Misschien is dit laatste keer dat we elkaar zien. Daarom wil ik je iets vertellen. Het zal je pijn doen, maar ik meen dat ik er goed aan doe je toch te informeren.’

Hij schuift een oude foto naar mij toe. Ik herken mijn vader en moeder, maar niet hun variëté-uitdossing. Een knap stel.

‘Zo is het begonnen,’ zegt de man tegenover me. ‘Wij hadden een show, een beroemde show. Jouw moeder was mijn assistente. De uitsmijter van onze voorstelling was een hypnose-act. Een Joodse onderduiker bij mijn ouders thuis had me de beginselen van het hypnotiseren bijgebracht. Jouw moeder was zeer suggestibel. Na enige tijd had ik haar met verschillende post-hypnotische suggesties volledig onder controle.’


Dit is nieuw voor me. Ik weet uiteraard van mijn vader als uitvinder en ontwikkelaar van allerlei magische trucs. Ik weet ook dat hij zelf optrad. Maar dat hij ooit samen met mijn moeder een show had, dat hoor ik voor het eerst.


‘Goh, dat jullie samen hebben opgetreden. Daar wist ik niets van. Deze foto heb ik nooit gezien.’

‘Alles wat daaraan herinnerde, heb ik vernietigd,’ zegt de man. Hij klinkt triest en teleurgesteld. ‘Op deze ene foto na. Langs hypnotische weg heb ik ook het geheugen van je moeder gewist.’


Het begint te draaien in mijn hoofd. Wat is er gebeurd? Er moet iets verschrikkelijks zijn gebeurd. Ik voel een spoor van medelijden. Dingen gebeuren nooit zo maar. Mensen zijn geen monsters. Ze kunnen het worden, ze zijn het niet. Tegenover me zit een oude man met een verhaal. Het is wel het verhaal van mijn vader.


‘Waarom, papa. Zeg me waarom?’ smeek ik en ik voel paniek en angst.

Even blijft het stil. Dan komt het antwoord, zacht en voorzichtig:

‘Omdat ik jouw papa niet ben, Ada. Daarom.’

Dus toch. Ik heb het altijd gevoeld. Pijnlijk? Natuurlijk. Maar de duidelijkheid, de zekerheid, de eerlijkheid vergoeden veel. Alles!

Hij graait het geld bij elkaar, staat op en zegt:

‘Ik heb mezelf nooit kunnen vergeven dat dit buiten mijn controle kon gebeuren. Ik veranderde in een mens vervuld van wraak. Daarmee heb ik drie levens onherstelbaar beschadigd. Het is beter dat je nu gaat.’


Ik sta op. Hij geeft me het geld. En de foto. En heel aarzelend trekt hij me naar zich toe. Ik verzet me niet.


Espunt, 6 maart 2016