Het bijzondere verhaal van Bla en Schrankelhei


Gruutaovent

Het was de eerste volle maan na het vertrek van de Grote Hemeljager. Het gruutmaal was genuttigd. Gruutpap met brokken. Net genoeg voor de hele groep. Deze dorre streken verdroegen geen overdaad. Ja, morgen, dan was er bout. Dat zou je overdaad kunnen noemen. Maar zo beleefde men het niet. Het was eerder een offer. Een overlevingsoffer, hoe vreemd dat misschien ook klinkt. Het zou vele weken misschien wel maanden duren eer de voorraden weer op peil waren.


Nu waren de bewoners van Bla en Schrankelhei op weg naar de Rode Splijtsteen. De Blaren kwamen vanuit het oosten, de Schrankelheimers uit het zuidwesten. Zij liepen op Gruutaovent (Gruutavond) ieder langs hun eigen pad. Een smal pad, in hoge mate overwoekerd.


Een pad dat slechts eens per jaar wordt betreden, is een makkelijke prooi voor overstekend gewas. Zowel de Blaren als de Schrankelheimers hadden wolfshonden bij zich. Als bescherming. De nachtheide was nu eenmaal niet erg gastvrij. En om te helpen bij het bewandelen van de juiste weg. De edele dieren hadden geen moeite de route van voorgaande jaren terug te vinden.


Twee voortschuivende, grauw linten. Aan de kop en aan de staart de mannen. Daartussen de vrouwen en de kinderen. Op twee punten werd het grijs en bruin abrupt onderbroken. Zowel te midden van de mannen als tussen de vrouwen deed het schrale scheerlicht van de ondergaande zon een witte gedaante flonkeren. Een jongen en een meisje. Jong nog, maar geen kind meer. 


Oude Liederen

Onderweg zong men de oude liederen. De melodie en de woorden. Maar de betekenis van de woorden was in de nevel van de tijd opgelost. Niemand verstond nog de oude taal. Men leerde al jong dat de liederen verhaalden van de komst, de strijd en de heldendaden van hun voorouders. Iedereen kende die verhalen. Maar of het dezelfde verhalen waren als in de liederen werden bezongen bleef onbeantwoord. Wat ooit een epos was, werd in de loop van de tijd een aangrijpend onderdeel van een groot en geheimzinnig ritueel dat deze nacht opnieuw gevierd zou worden. Moest worden.


Beide groepen hadden hun eigen repertoire. De verschillen waren niet groot. Een buitenstaander zou ze over het hoofd zien. De Schrankelheimers klonken wat ijler, de zang van de Blaren kroop meer over de bodem, tussen de heidestruiken door. Ze zongen hun liederen zacht, ingehouden, fluisterend bijna, om de aardgeesten niet te tergen. Ze realiseerden zich terdege dat ze bij het passeren van de bosrand de mensenwereld achter zich lieten. Op de heide heersten natuurwezens. De Alverman had scherpe oren en de kattenogen van de Alvervrouw, gemaakt voor de schemer en het duister, ontging niets. De wolfshonden stonden nu wat vaker stil. Dan duurde het even voor hun nekharen weer gingen liggen. Zij voelden instinctief dat ze op afstand gevolgd, begeleid werden, door de bewoners van de grote, stille heide. Wezens die zich alleen lieten zien als ze zich voor mensen zichtbaar maakten.

De Schrankelheimers liepen achter hun schaduw aan, de Blaren werden door hun schaduw op de hielen gezeten. Het was niet het enige verschil tussen beide groepen. Naarmate de schaduwen lengden, klonk het zingen zachter. En toen de zon achter de verre kim verdween, stopte het gezang en trok men zwijgend verder. Nu was het de volle maan die voor schaduwen zorgde. Zachte schaduwen. De maan maakte geen onderscheid tussen Blaren en Schrankelheimers. Kinderen die in hun opwinding de stilte verbraken met een onschuldig ‘Sen wi ol do?’ (wij zouden zeggen: zijn we er al?) werden met een liefdevol maar beslist “ne” (spreek uit nè) tot de orde geroepen. 


Hoewel de Blaren en de Schrankelheimers elkaar nog niet konden zien, was het duidelijk dat ze in de buurt van hun bestemming kwamen:. de grafheuvel die de Boezem van Eida werd genoemd. Eida, de losborstige heidevorstin. Op de heuvel stond de Splijtsteen. Volgens de oude verhalen was het de versteende tepelkloof die was ontstaan toen Eida, na haar bloedige conflict met Erica de heideprinses, aan de enige borst die haar nog restte, probeerde de verweesde hazentweeling Ymie en Orm te voeden. De andere borst was kilometers verderop neergekomen, nog voorbij de zandduinen.




Elfen?

Dat ze hun bestemming naderden merkten ze aan de toenemende vreemdheid der dingen. Tekenen van de tegenwereld. Zo stopte plotseling het Blarenpad. De wolfshonden waren het spoor bijster. De hondenmannen trokken met hun wolfshonden de ruige heide in. En ja hoor, vijftig meter naar links ging het pad verder. Typisch iets voor elfen, een compleet pad verleggen. Het was hun manier om duidelijk te maken wie het hier voor het zeggen had. De Schrankelheimers werden tegengehouden door een leger padden die angstaanjagende geluiden maakten. Met een zelfgemaakte neusfluit wist een oude Schrankelheimer ze weg te lokken. De padden waren weg maar ook de oude neusfluiter liet zich niet meer zien. Pas dagen later dook hij weer op in Bla. Totaal de weg kwijt. Hoe dan ook, men was goed voorbereid op weg gegaan. 


Om het vervolg van dit bijzondere verhaal naar waarde te kunnen schatten is het nuttig als ik nu iets vertel over de mensen die in Bla woonden en over hun tegenvoeters in Schrankelhei. Wat waren dat voor lieden en waarom betraden ze ieder jaar weer die lugubere heide waar ze zoveel angst voor hadden? 


Vervreemding

De Blaren en de Schrankelheimers leidden vele eeuwen een geïsoleerd bestaan. Na een lange periode, waarin ze moesten leven van de jacht, aangevuld met jeneverbessen en eekhoorntjesbrood, hadden ze zich eens achter de oren gekrabd, ziende hoe anderen zich in leven hielden met het verbouwen van gewassen en het uitmelken van getemde runderen. Die anderen hadden het ook niet makkelijk maar ze stapten wel iedere avond in een gespreid bed. Toen de stamvaders van de de Blaren en Schrankelheimers ten slotte hun nomadische bestaan afzworen, waren de vruchtbare plekken al afgepaald. Ze moesten zich tevreden stellen met arme gronden in afgelegen gebieden. Ze moesten het zien te rooien op dorre terreinen die pas in de loop van de tijd de toepasselijke namen Bla en Schrankelhei kregen. Het boerenleven viel hen zwaar. Maar ze waren taai en hun vrouwen vruchtbaar. Zo wisten ze generaties lang het hoofd boven water te houden. Een prestatie ook al was het land kurkdroog. En hoewel de kindersterfte groot was, groeiden ze toch gestaag in aantal. 




Lang hadden de Blaren en Schrankelheimers geen weet van elkaars bestaan. Soms kwam een jongeling die zich wat verder van huis had gewaagd, ontzet terug met een verhaal over een vreemd wezen dat angstig was weggedoken nadat het was opgemerkt. Deze verhalen bevestigden de overtuiging dat de eindeloze heide het domein was van natuurgeesten die je maar beter niet kon storen.


De Blaren kwamen thuis met verhalen over wezens die meer op dieren dan op mensen leken. Ze liepen zo gebogen dat hun handen over de grond sleepten. Of ze ook een staart hadden bleef een open vraag. De zware lichaamsbeharing versterkte het beeld van iets dierlijks. Maar ze droegen ook kleding, sterker nog, die zag er altijd zeer verzorgd uit. Daar waar de kleding de huid onbedekt liet, barstte de beharing echter uitbundig naar buiten. Hun bovenlip ging geheel verborgen achter een enorme snor waarvan de lange punten onder de oksels door op de rug waren vastgeknoopt. En zo waren er nog wel wat opvallende kenmerken, zoals de enorme overbeet waar een konijn zich niet voor hoefde te schamen.


Maar laten we ook eens naar de Schrankelheimers kijken. Met welke verhalen kwamen zij thuis? Want die stuitten van hun kant wel eens op een verdwaalde Blaar en daar zaten ze niet op te wachten. Het duurde vaak weken voor ze de deur weer uit durfden. Eeuwen van isolement hadden ook bij de Blaren tot karakteristieke kenmerken geleid. Blaren hadden een lakenwitte huid, een gezicht vol rode sproeten die in de puberteit uitgroeiden tot flinke puisten waaruit rottend talgmateriaal lekte, en prachtig rood haar. Omdat de vrouwen een aangeboren bekkenvernauwing hadden werden de kinderen allemaal met een soort tang verlost met als restschade een irreversibel punthoofd. Vaak werden er ook kinderen met zes tenen geboren maar dat viel niet op. In Bla keek men niet op van een teentje meer of minder. En zo waren er meer opmerkelijke afwijkingen. Het valt te begrijpen dat ook in de beleving van de Schrankelheimers de eindeloze heide bevolkt werd door wezens waar je beter met een boogje omheen kon gaan. Fysieke verschillen dus tussen beide groepen die de wederzijdse isolatie aanjoegen. En fysieke verschillen staan nooit los van psychische verschillen. Een giftige coctail.


Dit alles speelde zich af in de voortijd. Maar er kwam een tijd dat de beide groepen zo omvangrijk waren geworden dat ze elkaar niet meer konden ontlopen. Over en weer veranderden ze van angstaanjagende trollen en kobolds in medemensen. Buren. Maar wel vreemde buren die weinig met elkaar ophadden. Ze ruilden spullen maar erg hartelijk ging het niet. Een Bla-meisje kon zich niet voorstellen dat een Schrankelheimvriendje thuis met gejuich werd ontvangen. Zo’n puistenkop. En in Schrankelhei lagen ze wakker van zo’n behaarde Blaar. Ze vonden elkaar vreemd en het wederzijdse vertrouwen was gering. De Blaren vonden de Schrankelheimers gierig en dat was geheel wederzijds. 




De Grote Droom

Op een dag, gebeurde het. De Grote Droom. Volgens sommigen het werk van de heidegeesten, mogelijk Eida zelf. Zowel in Bla als in Schrankelhei ontwaakte men na een nacht vol angstige dromen. Voorspellende dromen. Groepsdromen. Blaren en Schrankelheimers hadden oog in oog gestaan met hun eigen ondergang. Ze wisten het niet van elkaar. En ze wisten niet hoe de dromen te duiden. Maar ze voelden een onweerstaanbare aandrang om naar de Boezem van Eida te gaan. Naar de Rode Splijtsteen. Een plek waar ze altijd verre van gebleven waren. Nu liet de Grote Droom hun geen keus. En dus gingen ze. In de nacht van de eerste volle maan na het vertrek van de Grote Hemeljager. Bij de Boezem van Eida troffen ze elkaar. De opwinding was groot, te meer toen ze van elkaar hoorden dat ze dezelfde droom hadden beleefd. Toen schoven er zware wolken voor de maan en daalde er een zwarte deken over de heide. Er klonk gerommel van naderend onweer. Er was angst. Werd dit dan de gedroomde ondergang?


Men kroop samen en zocht steun bij elkaar. De hemel scheurde open. Een machtige bliksemflits trof de Rode Splijtsteen. Onder dit donderende natuurgeweld sloot de Splijtsteen zich alsof er een kosmische smid aan het werk was geweest. Allen zagen het gebeuren. Allen zagen ook hoe een moment later de bekende scheur in de massieve zwerfkei terugkeerde. Even was de natuurlijke orde hersteld. De mensen uit Bla en Schrankelhei groetten elkaar zwijgend, draaiden zich om en keerden terug naar hun woonstee. Begrepen deden ze het niet maar de boodschap was duidelijk.

 

Vanaf dat moment brachten de Blaren en de Schrankelheimers ieder jaar hun sterkste knaap en hun mooiste meisje mee. Als geschenk voor hun buren en als teken voor Eida dat haar boodschap was begrepen. Het ene jaar gingen de meisjes mee terug naar het dorp van de jongens. Het jaar daarop gebeurde het omgekeerde. Een offer. Een groot offer. Maar het offer bracht de offeraars groot aanzien. En langzaam maar zeker werden de Blaren en de Schrankelheimers fitter. Ze leefden langer en ze gingen steeds meer op elkaar lijken.


Espunt, 25 augustus 2018