Het Bonte Paard 2

Het Olifantjespad

Onregelmatig feuilleton, 18 april 2015

Het Bonte Paard 1, Eeuwig springen mijn eitjes

Het Bonte Paard 2, Het Olifantjespad

Het Bonte Paard 3, Het genootschap ontluikt

Het Bonte Paard 4, Sekslokstoffen

Het Bonte Paard 5, Even voorstellen

Het Bonte Paard 6, Tjalling P. Kattorze


Het Bonte Paard 2, Het Olifantjespad



Vroeger dan gebruikelijk schuif ik de tochtgordijnen van Het Bonte Paard opzij. Dat mijn teerbeminde dranklokaal nog leeg oogt en naar boenwas ruikt, verbaast me niet echt. Het is halfdrie in de middag en de dag moet hier nog op gang komen. Wat me wel verbaast is dat Joop er al zit. Aan onze stamtafel. Joop is een soms gewaardeerd lid van ons literaire genootschap dat zich dagelijks rond de stamtafel verzamelt. Het is op zich niet vreemd dat Joop, op ieder moment klaar voor een scherpe analyse van het militair-industrieel complex, er al zit als ik arriveer. Dat wil zeggen, op mijn gebruikelijke tijd. Maar vandaag ben ik flink wat vroeger dan gewoonlijk en toch zit Joop er al. Dat zou kunnen betekenen, zo bedenk ik, dat hij iedere dag vanaf de opening aanwezig is en dat geeft wel te denken. Ik zal het eens voorzichtig aan Arie, de kroegbaas vragen. Ik ben toch ook een beetje de pater familias van het genootschap en het is me al eerder opgevallen dat Joop steeds meer moeite heeft met het coherent formuleren van zijn gedachten, al dan niet op papier.


Zelf ben ik vandaag voortijdig gevlucht voor een opkomende writer’s block. Er kwam werkelijk geen zinnig woord op het scherm en daar word ik niet alleen chagrijnig maar ook een beetje bang van. Wat ik vaak doe als het creatieve proces niet op gang komt, is een willekeurig deel van De Dikke van Dale pakken, dat op een willekeurige bladzijde open slaan en met mijn ogen dicht en met een scherp geslepen HB-potlood een willekeurig woord aanprikken. Geleerd op een cursus creatief schrijven van woordenboeken.


Het idee is dat het woord dat je op deze wijze toevalt, poorten opent naar ongerepte en vruchtbare associatievelden. Het bracht me dit keer helaas geen stap verder. Je zult het niet geloven maar ik verzin het niet: de potloodpunt was geland op het woord Faden, nota bene een Duits woord, met als toelichting een verwijzing naar Goethe, dat dan weer wel, die in zijn werk blijkbaar het beeld heeft gebruikt van De Rode Draad die door de Engelse Marine in ieder touw werd mee gevlochten zodat het touw herkenbaar was als staatseigendom. En daar ga je dan toch mee aan de slag, anders moet je ook geen geld in een schrijfcursus steken. Ik heb twee uur naar de rode draad gezocht van een verhaal dat ik nog moest schrijven.


Vind je het gek dat ik vandaag wat eerder de uitweg naar Het Bonte Paard heb gezocht? Gebogen. Hoofd tussen de schouders. Ik bezweek bijna onder de last van de literaire leegte. Het gewicht van de leegte, wie kent het beter dan de sprakeloze schrijver. Onderweg schoot door mijn hoofd dat de voetbalclub Veendam zijn thuiswedstrijden speelde in een stadion dat De Langeleegte heette. Het liep bar slecht af met de veenkoloniale helden. Logisch. Nomen est omen. De Langeleegte, laat die me in godsnaam bespaard blijven, smeekte ik binnensmonds. Hoopgevend was wel dat mijn associatievermogen blijkbaar nog niet helemaal was verdord. Sterker nog, ik moest ineens weer denken aan de lange leegte waar ik gisterenavond zo’n miraculeuze ervaring beleefde.


Ik heb in de loop van de tijd wat interesses verzameld die tegenwicht moeten bieden aan de gevaarlijke monomanie van het schrijverschap. Eén ervan, een recente, is het olifantenpaadje en dan met name de sociaalpsychologische dynamiek van het olifantenpaadje. Wie kent ze niet, die platgetreden of platgefietste sporen door een grasveldje of een haag die een route net even wat makkelijker maken. Ik wist het ook niet, maar ze zijn zo talrijk en karakteristiek dat ze een naam hebben. Het was nota bene Maarten ’t Hart, waar ik een groot bewonderaar van ben, die me op dit fenomeen attendeerde.


Nadat ik de paadjes eerst een tijdje alleen maar had gezocht en gefotografeerd, drongen verschillende onderzoeksvragen zich op: hoe ontstaan de paadjes, waar ontstaan ze, welke bevolkingsgroepen maken er vooral gebruik van? En wat gebeurt er als het gezag probeert deze milde vorm van anarchie te stoppen? En natuurlijk hoop ik dat het ooit nog eens een mooi verhaal oplevert, want eens een schrijver, altijd een schrijver, writer’s block of niet. Ik moet eerlijk zeggen dat ik die hoop gisterenavond heel even gekoesterd heb.


Olifantenpaadjes ontstaan normaal gesproken op plekken waar veel mensen passeren. Maar gisterenavond was ik op een stille plek in het buitengebied, waar ik al eerder bij toeval een onmiskenbaar olifantenpaadje had ontdekt. Op een plek waar je dat absoluut niet zou verwachten. Nauwelijks een teken van leven in de wijde omtrek op een morsige schuur na die wat van de weg af in het land staat. Het paadje loopt van een fietspad langs een klinkerweg, schuin tussen enkele bomen door en dwars door een droge greppel naar de schuur. Ik was er al een paar keer langs gegaan om te achterhalen wie dit paadje gebruikte. Ik had echter niemand gezien. Dat schoot dus niet op. Daarom besloot ik bij een boerderij wat verderop mijn licht op te steken.


Voorzichtig liep ik naar de achterkant van het erf waar ik een oud boerinnetje trof dat mij schichtig tegemoet trad. Nadat ik haar vertrouwen had gewonnen en mijn probleem had uitgelegd, zei ze, met een soort wegwerpgebaar: iedere avond om twaalf uur. Vervolgens sloot ze de deur. Dat was alles. Maar het bleek genoeg. Gisterenavond heb ik ontdekt hoe het olifantenpaadje in stand blijft. Ik groet kroegbaas Arie, die nog bezig is met het spoelen van de glazen van gisteren, hang mijn ribfluwelen overjas op aan een van de daarvoor bedoelde geweien en neem plaats tegenover Joop die geen moment aarzelt en direct een nieuwe bestelling plaatst. ‘Je bent vroeg vandaag,’ zegt Joop.


‘Proost.’


‘Ik zat helemaal geblokkeerd, Joop,’ zeg ik. ‘Ja, proost.’


‘Nu pas?’ zegt Joop wiens output al jaren geen naam mag hebben.


‘Ja,’ zeg ik.


‘Zeg. Niet om het een of ander, maar snap jij nou waarom ze elkaar in het Midden-Oosten allemaal afslachten?’ leidt Joop zijn betoog over de laatste stand van zaken rond het industrieel-militair complex in.


‘Nou, nee. Volgens mij weten ze het zelf ook niet. Het enige waar ze het over eens zijn is dat het de schuld van de Joden is. Weet je trouwens wat ik gisterenavond heb meegemaakt?’


Ik heb even geen zin in de analyses van Joop. Maar ik besef dat mijn afleidingsmanoeuvre kansloos is. Tot mijn grote verbazing hoor ik hem echter zeggen:


‘Nee, vertel.’


Ik probeer snel zijn afwijkende gemoedstoestand te peilen. Deze reactie wijst op een beginnende vorm van sociaal gedrag. Ik kan geen symptomen ontdekken die op een andere afwijking wijzen. En dus zeg ik:


‘Ik ben de laatste tijd nogal bezig met olifantenpaadjes.’


Nu zie ik Joops blik onderzoekend worden. Het is duidelijk dat hij de zaak niet vertrouwt. In één vloeiende beweging van het Midden-Oosten naar het olifantenpaadje. Wie neemt hier wie in de maling?


‘Zijn dat van die paadjes die ontstaan omdat mensen in plantsoenen hoekjes afsnijden?’ zegt Joop.


‘Wat goed dat jij dat weet,’ zeg ik. ‘Het zijn vormen van ongeplande verbindingswegen.’


‘Zo,’ zegt Joop, ‘en daar hou jij je mee bezig? Vind je het gek dat je geen letter meer op papier krijgt?’


‘Het is fascinerend, Joop,’ zeg ik. ‘Ongeplande wegen in bestaand gebied. Is dat niet de essentie van literatuur? Afwijken van gebaande wegen om zo tot nieuwe inzichten te komen.’


‘Overdrijf je niet een beetje?’


‘Nee Joop, ik overdrijf niet. Het zijn kleine verzetshaarden van burgerlijke ongehoorzaamheid. En ze leiden echt een eigen bestaan. Dat zie je het mooiste op plekken waar de overheid ze probeert tegen te gaan. Met hindernissen. Binnen de kortste keren loopt er een nieuw paadje om de hindernis heen. Een organisch groeiende by-pass. Het zijn voor de stadsarchitecten vervelende speldenprikken.’


‘Hoezo?’ zegt Joop die duidelijk geïnteresseerd raakt nu het verhaal de anti-autoritaire kant op beweegt.


‘Hoezo? Nou, dat is nogal logisch. Elk olifantenpaadje zegt eigenlijk: jullie hebben niet goed nagedacht, beste bestuurders. Jullie hebben niet aan jullie burgers gedacht. Vind je het dan gek dat die burger zelf gaat denken? Reken maar dat zo’n impliciete boodschap hard aankomt op de afdeling Publieke Werken en Groenvoorziening.’


Joop begint te grijnzen. Als één van de laatste jongens van de Sixties die de Sixties nog niet heeft verloochend, doet het hem zichtbaar goed dat het gezag nog altijd kwetsbaar is.


‘Ik moet toch eens opzoeken wat Adorno daar over heeft geschreven.’


‘Adorno? Wat wil je daar mee?’


‘Die Frankfurter Schule. De reactie op het volgzame, gezagsgetrouwe Duitse volk. Nooit meer oorlog. Nooit meer achter een leider aan. Anti-autoritair opvoeden. De nagel aan de munitiekist van het militair-industrieel complex.’


Het is duidelijk dat mijn nieuwe, nietige tijdverdrijf door Joop met een machtige ideële zwiep op een hoger plan wordt getild. Ik ben niet zo van dat anti-autoritaire opvoeden. Nooit het ene extreme vervangen door het andere. Ik laat hem maar. Het is nog vroeg. En het kan nog wel even duren voordat andere leden van ons genootschap zich melden. Voorlopig zal ik Joop alleen moeten managen.


‘Het lijkt zo klein,’ gaat Joop verder, ‘maar die olifantenpaadjes hebben de anarchistische lading van de krenten die Provo bij het Lieverdje uitdeelde. Krenten. Olifantenpaadjes. Juist omdat het gezag altijd groot probeert te denken, is het kleine, subversieve zo gevaarlijk. Het knaagt aan hun stoelpoten. Wat zeg ik, het knabbelt, heel voorzichtig, onhoorbaar, onverstoorbaar. En dan, op een dag, gaat het krak. Ook het militair-industrieel complex zal ooit bezwijken als ontelbaar veel olifanten, aangevoerd langs ontelbaar veel olifantenpaadjes, hun slurven ten hemel heffen en een orkaan van trompetgeschal zullen ontketenen waarna de zeven engelen van de apocalyps met hun trompetten zich bij de machtige olifantenstam zullen voegen om het complex gezamenlijk weg te blazen.’


Via een omweg is Joop, nu met een nietsontziende blik in zijn ogen, toch weer op zijn favoriete spoor terechtgekomen. Hij wenkt Arie om hem te laten delen in zijn nieuwe inzichten. Ik moet snel handelen om te voorkomen dat Joop in zijn radicale groef blijft hangen.


‘Geweldig, Joop,’ zeg ik, ‘dat noem ik nog eens bezieling een schrijver waardig. Zal ik je nou eens vertellen wat mij gisterenavond is overkomen? Het sluit naadloos aan bij jouw eindtijdprofetie.’


Joop maakt een gebaar van: opschieten dan, en schrijft wat op in een aantekenboekje dat nog maagdelijk oogt. Ik krijg zo waar het idee dat Joop uit het grote zwarte gat aan het klimmen is.


‘Luister en huiver, Joop. Gisterenavond rond kwart voor twaalf had ik me verdekt opgesteld in de buurt van het bewuste olifantenpaadje. Kort daarna arriveerde een Fiat 500. De bestuurder leidde zijn bescheiden vervoermiddel zonder aarzeling naar een open plek in de berm. Dat had hij duidelijk vaker gedaan. Gelukkig was er een bijna volle maan zodat ik kon zien dat het om een klein, oud mannetje ging met half lang wit haar, een mooi opgekrulde witte snor en een wit sikje. Tot mijn verbazing droeg hij een uniform van een onbekend land en uit een onbekende tijd. Veel goud en zilver.


Nadat hij was uitgestapt, trok hij zijn rood-gebiesde jas recht, zette een fraaie pet op die op de bestuurdersplaats had gelegen en liep naar de schuur. Daarbij vermeed hij zorgvuldig het olifantenpaadje. Ik zag hem door een brede deur naar binnen gaan. Kort daarna, en beloof me Joop dat je me gelooft, en jij ook Arie, ging de deur weer open en kwam de kleine man weer naar buiten, maar nu gezeten op een olifant.


‘Ik wist het,’ zei Joop.


‘Op een klein olifantje,’ ging ik verder. ‘En achter het kleine olifantje volgde een tweede olifantje, even groot, die de eerste bij zijn staart vasthield. En het zal je niet verbazen dat de dieren hun paadje volgden, zoals ze in de vrije natuur ook doen. Een stukje van mijn raadsel was opgelost. Ik voelde een sterk verhaal aankomen. En dus wilde ik alles weten. En ik moet zeggen, ik weet nu ook alles, of bijna alles.

De oude jager op groot wild heeft mij zijn opzienbarende levensverhaal verteld. Maar pas nadat ik op alles wat heilig is gezworen had dat ik dit geheim zou bewaren. Het spijt me Joop, maar hier stopt het verhaal.’


Joop kijkt mij aan als door een adder gebeten en sist:


‘Zo kun je een verhaal toch niet laten eindigen, beste man. Dat pikt een lezer toch niet. Nooit! Wat ben jij voor schrijver?’


Espunt, 27 oktober 2015