Een kouwe Kerst

Kerstverhaal, versie 1, 12 december 2013, versie 2, 23 december 2022

Een kouwe kerst (sprookje)



Er was eens een boer en die boer die had een vrouw. In de loop van de tijd had de boerin zeven dochters gebaard die van aanpakken wisten. En dan was er ook nog de trouwe knecht, een vondeling, die gelijk met de boer was opgegroeid. Hij had een mediterraan uiterlijk wat hem in de afgelegen streek bekijks opleverde. Niet veel, want er leefden maar weinig kijkers en de meesten verlieten zelden hun erf. Maar toch. Hij was gezien en er deden over hem verhalen de ronde. Er werd gezegd dat zijn vader een Italiaanse schoorsteenveger was die door de opkomst van de centrale verwarming op drift was geraakt en had getracht in rurale streken waar nog veel hout werd gestookt, een beetje bij te schnabbelen. Kortom, de afstammingslijn van de trouwe knecht was in nevelen gehuld en met achterklap gevuld.


Maar het vondelingetje groeide uit tot een vrolijke knaap die al evenzeer van aanpakken wist als de zeven dochters van de boer. Hij was als een verre oom opgenomen in het gezin en bracht met zijn zonnige karakter en zijn trouwe dienst wat licht in de huiselijke sfeer die zoals gebruikelijk in de afgelegen streek traditioneel nogal zwaar op de hand was.


De boer had weinig reden om te twijfelen aan zijn vaderschap maar volledige zekerheid was alleen de Lieve Heer gegeven. Dat er van de zeven dochters zes goudblond waren en alleen de jongste ooit een gitzwarte haarbos had bezeten, had hij geaccepteerd als een speling van de natuur. Ook bij het vee dook wel eens mutant op. Hij had het nog eens, zo terloops mogelijk, aan de veearts voorgelegd, maar die had zich op de vlakte gehouden. Hij had het gelaten bij de opmerking dat uiteindelijk ook de mens zelf het resultaat was van het grote dobbelspel van moedertje Natuur. Een mening die overigens nogal haaks stond op de heersende geloofsovertuiging in de afgelegen streek. Het was bekend, de veearts was goed voor zijn werk maar verder hield hij er bijna duivelse ideeën op na.

De boer had geprobeerd er een streep onder zetten. Er werd al genoeg gepiekerd in zijn achterland. Maar helemaal wegstoppen viel hem ook zwaar. De historie van zijn familie liet zien dat je met een trouwe knecht in huis altijd een slag om de arm moest houden. Of, zoals men in deze buurt zei: “Kruupt de knecht bij de boerin onder de rokk’n, zit de boer mooi met de brokk’n”. Een waarheid als een koe.

Rond de noen, als ze om de eikenhouten tafel verzameld waren voor het middagmaal, keek de boer vaak de kring langs. Heerlijke meiden waren het. Zeg maar gerust mooie jonge vrouwen. De boer dankte de Heer dat er maar eens per jaar kermis was op de es. Het werd elk jaar lastiger om ze weer op tijd naar huis te krijgen. Als magneten, als honing werkten ze op de boerenpummels, zoals ze in de streek werden genoemd. Tussen al het blond zat één zwart schaap. Hoe bijzonder was dat!

Maar nog niet zo heel lang geleden was het plaatje gaan verkleuren. Het fraaie zwarte kapsel van zijn trouwe knecht begon aan de slapen duidelijk te grijzen. En de jongste dochter, de liefste maar niet de sterkste van het stel, begon in rap tempo haar te verliezen als gevolg van een verwaarloosde schurft. Ze was al voor meer dan de helft kaal. Smeren met uierzalf haalde niets uit. Het beklemde hem. Maar als hij tijdens het middagmaal zijn blik rond liet gaan, overheerste nog altijd een gevoel van trots. Zijn wijf, zijn meiden, zijn knecht. En als hij dan in die gemoedstoestand zijn karnemelksepap, met stroop graag, omlaag voelde glijden, welde er niet zelden, bijna als een tegenstroom, een rijk gevoel bij hem omhoog. Buiten liep zijn zwart-bont, binnen zat zijn zwart-blond. De zegen van de Heer rustte op hem en zijn gezin, dat leed geen twijfel. Trouwens, welk sterfelijk mens zou twijfel kunnen voelen richting de Schepper die om ondoorgrondelijke redenen mensen in maten en soorten had geschapen. En schurft, maar daar moest ook een reden voor zijn.

Het was kerstnacht. Vergezeld door zijn zeven dochters was de boer naar de nachtmis geweest. Zijn vrouw voelde zich niet lekker en was thuis gebleven. Ze wilde op tijd naar bed. Morgen was het weer vroeg dag. De zorg voor de dieren ging immers gewoon door. Ook met Kerstmis. Juist met Kerstmis verdienden de os en de ezel extra aandacht.
De trouwe knecht had niets met Kerstmis. Hij beweerde dat hij uit een rood nest kwam, wat toch knap is voor een vondeling, en ging alleen op 1 mei naar de nachtmis.

Eenmaal terug van de kerstviering waren ze om de eikenhouten tafel gaan zitten en aan het roggenbrood met balkenbrij (met rommelkruid) begonnen. De boer maande zijn dochters tot fluisteren. Moeder had de slaap hard nodig.


“Wat een prachtige mis,” fluisterde de oudste dochter. “Ik ga er vandoor.”
“Nou breekt me de klomp,” zei de boer.
“Ik weet het nu zeker. Ik ga het klooster in. Dat wordt mijn wereld.”
“Kan dat niet even wachten?” probeerde de boer nog. “Weet ons moeder hiervan?”
“Nee, de wachttijd is voorbij,” zei de oudste dochter. “Morgen denk ik er misschien weer anders over.”
Zij verdween met een hemelse uitdrukking op haar gelaat in de ijskoude kerstnacht.
De tweede dochter zei: “Wat zag de kerk er prachtig uit. Al dat goud. Ik ben ook weg.”
“Nou breekt me de andere klomp ook nog,” schrok de boer.
“Ik ga op zoek naar een rijke vent,” zei de tweede dochter en trok de deur achter zich dicht.
“Wat een weelde aan wierook,” zei de derde dochter. “Ik heb dringend frisse lucht nodig.” En weg was ze.
Dochter nummer vier was zo gegrepen door de prachtige zang dat ze op zoek ging naar een koor. Dochter nummer vijf vond er met nog maar twee zussen thuis niet veel meer aan en trok de wijde, koude wereld in op zoek naar gezelligheid. Dochter nummer zes, altijd wat onzeker, zei dat ze meeging met nummer vijf. Toen de boer vroeg waarom, haalde ze haar ranke schouders op.

En toen, misschien wat aan de late kant, schoot de boer vol. Na zijn klompen brak hij nu ook zelf. Met het hoofd op tafel huilde hij bittere tranen. Zijn jongste dochter stond op, legde voorzichtig haar hand op zijn door noeste arbeid en een te kleine bedstee kromgetrokken rug en zei:
“Vadertjelief, ík ben er toch nog? Je hebt míj toch nog?”


De boer tilde zijn verweerde kop op, veegde met zijn rode zakdoek de bittere tranen van zijn stoppelige gelaat en zei:
“Ga jij dan ook maar. Zolang ik jou zie, zal ik herinnerd worden aan je zussen die mij verlieten. Ga maar. Nul is beter dan één.”


“Ja, maar vader, ik wil niet. Ik hoef niet. Ik durf niet. Ik ben bijna kaal, papa. De mensen zullen mij nawijzen, verstoten. Laat me blijven, ik zal al het werk van mijn zussen doen.”


Maar de boer had een harde kop die ook nog behoorlijk in de war was.
“Weg. Snel. Onder mijn ogen vandaan.”


En het ongelooflijke gebeurde. Op kerstnacht nota bene. Hij opende de deur, gaf haar een peune onder der oarse, zoals ze in de streek zeiden, en gooide de deur met een klap in het slot.


“Het is me de kerstnacht wel dit jaar,” gromde de boer. “Dochters weg, klompen weg…… Waar is godsammelazerusnomdeju mien wief?” De boer schrok van zijn godslasterlijke taal en sloeg snel een kruisje.


Alsof de duvel ermee speelde verscheen op dat moment het verhitte hoofd van zijn vrouw tussen de gordijntjes van de bedstee.


“Vrouw, je hebt koorts,” sprak de boer geschrokken. “Ga gauw weer liggen.”


De gordijntjes werden weer gesloten, maar het waren niet de handen van zijn vrouw die de poppenkastgordijntjes bedienden. Het waren grote handen met op de rug plukjes zwart haar. En dat was niet onopgemerkt gebleven.


Nog had de boer de rust om eerst een pluk pruimtabak onder zijn tong te proppen maar daarna was er ook echt geen houden meer aan.

“Er is voor overspeligen geen plaats in deze herberg,” donderde hij. “Maak dat je wegkomt, geilaards. Ja, ook jij, bedriegster, die ik zo lang heb geëerd en onderhouden. En neem hem daar, mijn trouwe knecht, mee. Trouw, het mocht wat. Ik ben vannacht wel van een heel koude kermis thuisgekomen.”

En hun naaktheid bedekkend met een duffelse deken uit de bedstee, de boer wilde ook de beroerdste niet zijn, verlieten zij de warme en zondige plek in grote haast. Hollend voor hun leven omdat de boer dreigde waakhond Wodan los te laten. Nog even keek de boerin met een gekwelde blik om, gelijk Eva toen die het paradijs verloor. Maar de boer was onverbiddelijk.

Eenmaal weer binnen mompelde hij: “Hoe zeiden de ouden het ook al weer? Komt de knecht onder de rok vandaan, dan kan de boer zich voor de kop wel slaan. Zoiets was het. Op deze kerstnacht zal ik niet in de bedstee slapen.”

Hij liep naar de stal, sloeg een kruis en vleide zich tegen de warme os.
Midden in de nacht klonk er een stem. Eerst nog ver weg maar allengs dichterbij. Langzaam drong het geluid tot hem door. En wat hij hoorde vervulde hem met grote vreugde:

“Papa, snurk niet zo.”

Het was zijn jongste dochter die iets verderop dicht tegen de ezel aan lag.

“Jij bent er nog? Je bent niet weg?”

“Nee papa, ik ben er nog. Ben je niet boos?”

De boer stond op en sloot zijn dochter snikkend in zijn armen.

“Vergeef me lief kind dat ik zo wreed voor je was, maar ik wist niet wat ik deed.” En toen kuste hij haar teder en aaide over haar vrijwel kale hoofd. Onwillekeurig dacht hij terug aan vroeger. Voor de schurftaanval. Was ze toen blond of zwart? Hij wist het niet meer.

Toen rechtte hij zijn rug, schudde zijn hoofd, pakte haar bij de schouders en zei:


“Mijn lieve dochter, jij blijft bij mij. De rest is niet belangrijk.”

Espunt, versie 1, 12 december 2013, versie 2, 23 december 2022