Een verdomd klein mannetje

Kort verhaal, 21 mei 2013

Een verdomd klein mannetje



Ik ben nogal lang. Als ik met opgeheven hoofd door het leven zou gaan, zou ik ongetwijfeld veel kleine mannetjes over het hoofd zien. Maar zoals veel lange mensen loop ik wat voorovergebogen. Dat is al jong begonnen. Hoe vaak mijn moeder niet zei: ‘rechtop lopen jongen, je staat straks helemaal krom’. En ik probeerde het wel, maar mijn hoofd ging in de loop van de tijd toch steeds meer naar voren hangen. En dus vallen kleine mannetjes mij eerder op dan grote mannen.


Maar er zijn natuurlijk grenzen. Als een mannetje te klein wordt, dan houdt het op een bepaald moment op. Als het hoofdje te klein is kan het wel gekke bekken trekken maar de kans is groot dat het me ontgaat.


Ik kan me levendig indenken dat de lezer nu op het punt staat af te haken. Waar gaat dit in godsnaam over, zal hij zich afvragen, zulke kleine mannetjes bestaan toch niet, wat een onzin. Ik kan mijn tijd wel beter besteden.


Maar dan is mijn reactie: zo dacht ik er tot vanmiddag ook over. Maar ze bestaan dus wel degelijk. Dat wil zeggen, ik ben er een, of beter eentje, tegengekomen en misschien is hij wel de enige.


Het mannetje dat ik deze middag op het veldje waar de honden uit de buurt worden uitgelaten ontdekte, was uitzonderlijk klein. Ik heb in mijn leven veel kleine mannetjes onderlangs zien passeren maar deze was van de buitencategorie. Zonder onze hond had ik hem nooit gevonden. Gup gaf opeens een ruk naar rechts en hield pas aan de rand van het veldje halt. Als een gemankeerde balletdanser probeerde ik hem te volgen, op mijn tenen de hopen vermijdend. Aan de rand van het veldje stond Gup, klaar voor actie, met zijn neus op de grond. Pal voor dat heel kleine mannetje.


Het mannetje was kleiner dan Gup. Hij zou onder hem door hebben kunnen lopen wat ik hem overigens niet zou aanraden want Gup houdt er niet van als er een klein mannetje onder hem door loopt.


Later besefte ik dat ik toch even behoorlijk in de war moet zijn geweest want mijn verbazing betrof in eerste instantie niet eens het mannetje zelf maar meer het feit dat Gup hem had geroken. Wij bevonden ons op een slecht onderhouden grasveldje dat werkelijk bezaaid lag met hondendrollen, waarvan zelfs de kleinere exemplaren met hun afknijppunt hoog boven het maaiveld uitstaken. En de meeste waren nog niet over de datum en dus nog goed op meur.


In zo’n strontzooi een klein mannetje ruiken, dat was toch wel wat. Ik concludeerde dat het mannetje wel heel erg moest ruften wilde hij qua geur opvallen in deze melange van halfverteerde, gedeeltelijk verpulpte, nog enigszins nagistende Acana Grasslands,Taste of the Wild High Prairie Canine, Fish4dogs Finest fish complete, Dog Lovers Gold, Lukullus Kip & Noordzeezalm, Naturis Adult S/M/L, Eukanuba Adult Medium Breed Kip, Arden Grange Adult Lam & Rijst, Farm Food H.E., Nutro Choice Adult Lam & Rijst, Almo Nature Adult Kip & Rijst Medium, Jarco Volwassen Brok, Markus Mühle, Carocroc Medium Lam/Rijst, Happy Dog Supreme Nieuw Zeeland, James Wellbeloved Adult Lam & Rijst, Cavom Compleet, Mera Dog Reference Premium, Fokker Adult Medium, Burns Kip & Zilvervliesrijst, Bozita Original 21/10, Bosch Adult Lam & Rijst, Biofood Krokant, Royal Canin Medium Adult 25, Techni-Cal Adult, Pro Plan Adult Kip & Rijst, Hill`s Canine Adult Kip, Lams Adult Small/Medium, Yarrah Bio Ecologische Brokken Met Kip & Graan, Pedigree Complete Adult Met Gevogelte en Beneful Original niet te vergeten.


Ik zal niet betwisten dat onze Gup een goeie neus heeft, maar zonder aarzelen in een dergelijke stankcaleidoscoop zo’n klein mannetje traceren, daar moest meer achter steken. Dat kon niet alleen aan de goeie neus van onze Gup liggen, dat moest volgens mij ergens ook met het mannetje te maken hebben.


Na de eerste verbazing onderdrukt te hebben, verbaasde ik me over het feit dat ik me niet eerst verbaasd had over de aanwezigheid van zo’n verbazingwekkend klein mannetje. Gelukkig kreeg ik niet de tijd om hier lang bij stil te staan. Ik mompelde, half in trance en gedachteloos: ‘zo, dat is een klein mannetje,’ en kneep mijn ogen samen.


Als ik al gehoopt had in een hallucinatie terecht te zijn gekomen, dan maakte het kleine mannetje daar kordaat een eind aan. Met een opvallend bits stemmetje zei hij dreigend: ‘had je het soms over mij?’ Ik voelde me bijna geïmponeerd. Nu moest het toch niet gekker worden. Om escalatie te voorkomen zei ik maar gauw: ‘nee, nee, geenszins.’


‘Had je dan een ander klein mannetje op het oog?’ vroeg het kleine mannetje, nog steeds scherp en wantrouwend. ‘Trouwens, kun je niet wat zakken, ik krijg pijn in mijn nek.’


’t Is omdat je het zo vriendelijk vraagt,’ zei ik, terwijl ik voorzichtig daalde tot ik op mijn hurken zat. Nu kon ik het kleine mannetje wat beter inspecteren. Hij had een getekend koppie. Veel rimpels. Hij was gekleed als een militair. Maar het was zeker geen moderne outfit. Toen zei het kleine mannetje: ‘Ik vroeg je wat: of je soms een ander klein mannetje op het oog had. Nou?’


Ik raakte een beetje in paniek. Dit vreemde ventje leek misbruik te maken van de asymmetrische situatie. Het leek te denken: hij stampt me toch niet plat want dan is er straks geen heel klein mannetje meer en dan heeft ie thuis wat uit te leggen. En ik kan niet ontkennen dat deze overweging bij me opkwam. Ik had A gezegd, nu moest ik doorliegen anders zou het minieme kereltje wel eens heel boos kunnen worden. Dus zei ik, zo nonchalant mogelijk maar beseffend dat het ridicuul klonk: ‘Ja, ik had een ander klein mannetje op het oog.’


Helemaal fout dus! Ik heb nooit geweten dat heel kleine kereltjes zo kwaad kunnen worden. Hij ging me daar te keer zeg, daar werd zelfs onze sullige Gup onrustig van. Hij stampte zo fel op de drassige bodem, dat een van de pijpjes van zijn kleine lange broekje wat omhoog schoof waardoor ik zag dat hij links een klein houten beentje had. Ik besefte direct dat ik nu een uitweg had om in ieder geval mijn gezicht te redden.


Dit mannetje had een ongelukje gehad en was waarschijnlijk door een heel klein doktertje behandeld. En nadat de wonden waren genezen had een heel klein timmermannetje voor hem een houten beentje gefabriceerd. Dat kon bijna niet anders. Dit mannetje was niet enig in zijn soort, er moesten er meer zijn. Ik duizelde bij de gedachte.


Dus zei ik: ‘Ja, ik had eigenlijk dat hele kleine timmermannetje op het oog.’


Het kleine mannetje liep nu knalrood aan en kreeg ongezonde gelaatstrekken. De oogjes puilden uit en hij deed pogingen mij met zijn houten pootje te raken. Maar dat lukte niet. ‘Waar gaat dit over?’ zei het kleine mannetje, ‘Mij een beetje in de maling nemen. Wat nou timmermannetje?’


‘Nou, ik bedoel dat timmermannetje dat jouw houten beentje heeft gemaakt,’ zei ik, toch wat onzeker.


‘Juist, nu ben je door de mand gevallen,’ zei het ongewoon kleine kereltje. ‘Dat houten beentje heb ik al sinds Korea, lichting 53-2. En ik wens niet getutoyeerd te worden.’


Ik kon niet anders dan toegeven dat ik maar wat had geroepen. Dit was een Korea-veteraan en daar viel meestal niet mee te spotten. Intussen werd wel steeds duidelijker waarom Gup geen moeite had gehad het mannetje op te sporen. Hij stonk niet zo’n klein beetje, hij meurde alle bekende hondenbrokkenmerken er finaal uit. Ik herkende de onverdraaglijke stank van mercaptanen en thio-verbindingen. Ik vroeg hem met enige aarzeling waar deze hemeltergende en duivelse dampen vandaan kwamen.


‘Dat komt door die spleetogen met die grote petten.’


‘U bedoelt de Noord-Koreanen?’


‘Inderdaad. Die hebben een milliputter van me gemaakt. En er waren al plannen voor een picoputter.’


Ik was met stomheid geslagen.


Ik hoorde een hoge fluit en rook even later vers bereide organische zwavelverbindingen van het allerlaagste allooi. Ik had met het waanzinnig kleine ventje te doen. Er was duidelijk iets mis met zijn darmflora.


‘Mag ik u een onbescheiden vraag stellen?’ zei ik voorzichtig.


‘Nou vooruit,’ zei het kleine mannetje, ‘jij bent hier ook niet voor de lol, lijkt me.’


‘Nee, voor de drol,’ wilde ik zeggen, maar dat slikte ik nog net in omdat ik twijfelde aan het gevoel voor humor van het kleine mannetje. Dus zei ik: ‘Bent u altijd zo klein geweest, of bent u op latere leeftijd sterk gekrompen?’ Het was eruit voor ik het wist. Ik was op het ergste voorbereid. Scherp hield ik het kleine halsslagadertje in de gaten. Als dat ging opzetten was het mis.


Maar het ging goed, het kleine mannetje zei: ‘hè, hè, now we’re talking, of zoals de Koreanen zeggen: 결국 지혜.’


Ik had sterk het idee dat ik dat Korea-verhaal serieus moest nemen. Dus opperde ik: ‘Hebben uw afmetingen iets te maken met de Koreaanse oorlog?’ Het mannetje knikte en zei: ‘Zeker. Dit is het resultaat van Noord-Koreaanse experimenten.’


Hij spreidde zijn armpjes en opende zijn handpalmpjes. ‘Geen half werk,’ zei ik. ‘Half? Half?’ snerpte het kleine soldaatje, ‘Zeg maar gerust een half tot de derde, of de vierde macht.’


Ik verbaasde me opnieuw over de intelligentie die uit dat kleine knikkertje kwam. Een half tot de vierde macht, dat is een zestiende. Dat zou aardig kunnen kloppen.


Ik werd bevangen door een grote nieuwsgierigheid. Wat had zich daar op dat verre schiereiland in godsnaam afgespeeld? Had ik een wereldprimeur in handen? ‘Bent u bereid mij te vertellen wat er met u is gebeurd?’ vroeg ik zacht, terwijl ik de pijn in mijn knieën als gevolg van het hurken voelde opkomen.


Het mannetje begon nu zowaar te glunderen. ‘Eindelijk iemand die me een beetje serieus neemt,’ kraaide hij. ‘Ik heb de afgelopen tijd gemerkt dat de meeste mensen niet alleen dom maar ook nog wreed zijn. Als ze me ontdekten, begonnen ze aan een arm te trekken alsof ze met een insect te maken hadden waarvan ze de vleugelbevestiging wilden testen. Dan riep ik: ‘Zeg, ho eens even. Ik heb al een houten poot. En ik heb toevallig wel voor jullie het Gele Gevaar tegengehouden. Anders waren jullie nu ook zo klein geweest.’ Dan lieten ze meestal wel los. Soms renden ze weg om een fototoestel te halen of een journalist te waarschuwen. Gelukkig ben ik zo klein dat geen journalist of politieagent of jeugdzorg of het Leger des Heils die verhalen over kabouters gelooft.


Ik laat me nu niet meer zien. De laatste keer werd ik op de hei ontdekt door een dame met rood haar. Ook een hond. ’s Avonds verscheen er een groepje vrouwen van middelbare leeftijd met rode haren in witte gewaden en met brandende toortsen. Die begonnen rondjes te lopen en liedjes te zingen over elfen, trollen en het kleine volkje. Met dat laatste bedoelden ze mij. Ik begreep dat ze graag wilden dat ik de wereld zou redden. Ik heb mijn portie reddingswerk wel gehad, dacht ik zo. Allemaal New Age onzin natuurlijk. Ik bekeek die heksen van een afstandje en hield me gedeisd. Toen het begon te regenen doofden de toortsen, spoelden de kapsels uit en plakten de witte lakens aan de enorme borsten. Dat hadden ze niet voorspeld hoorde ik de hoofdheks klagen.’


Ik begon steeds meer ontzag te krijgen voor dit moedige ventje dat zo door het noodlot te grazen was genomen. Hoe lang was die oorlog al geleden? Toch wel zestig jaar. Dus hij was rond de tachtig, maar daar zag hij niet naar uit. ‘Als ik even reken,’ zei ik, ‘loopt u al zestig jaar zo klein rond. Dat is bijna een wonder.’


Het erg kleine manneke schudde zijn hoofd. ‘Zo simpel is het ook weer niet. Ik ben pas kortgeleden teruggekeerd uit Noord-Korea. Drie Amerikanen en ik, uitgeruild tegen 50 ton graan en een kistje goede Bordeaux voor de leider. Wij hebben met zijn vieren zo’n vijftig jaar in een supergeheim miniaturiseringsprogramma gezeten. Die Noord-Koreanen hadden iets gelezen over het belang van microelektronica. Ze bedachten dat je daar ook hele kleine arbeidertjes voor nodig hebt. Bijkomend voordeel was dat kleine arbeidertjes niet veel voedsel nodig hebben. Later, met die grote hongersnoden werd dat steeds belangrijker. Ze waren van plan de hele bevolking in regressie te nemen, zoals zij dat noemden. Terug in de tijd, steeds kleiner worden. Wij geloven in het reductionisme, zeiden ze. Alleen de grote leider was vrijgesteld. Als het allemaal zou lukken zou die dus ooit mythische proporties gaan krijgen. Ze hadden al een naam voor de zoon van Kim Il Yong: Kim Yong Gul. En die Gul verwees dan naar Gulliver. Daar hadden ze zelf veel plezier om.‘


Ik was sprakeloos. Ik moest het even laten bezinken. ‘Hoe kregen ze jullie klein?’ stotterde ik bijna.


‘Daar zijn dit soort landen van nature erg goed in. Maar ze wilden meer. Niet gewoon klein krijgen, maar heel klein krijgen en dat is wel even andere koek. Ik vermoed dat ze hulp hebben gekregen van de Chinezen, want die hadden ook belangstelling. Met kleine Chineesjes kon bijvoorbeeld dat ellendige éénkindprogramma afgeschaft worden. Die Chinezen moesten kiezen: of straks een volk van grote, oude mensen met zo hier en daar een jongeling, onhoudbaar, of een vitale gemeenschap van misschien wel tien miljard vrolijke jonge milliputters die per week aan een mini-loempia de man genoeg zouden hebben. En je weet, als de Chinezen er zich mee gaan bemoeien dan kan het raar lopen.


We kregen rijst met een vreemd smaakje, jaar na jaar, en we werden kleiner. Alles bleef redelijk functioneren, alleen onze darmen raakten van slag. Van krimp krijg je kramp, zeiden we tegen elkaar. Dat probleem hebben ze niet onder de knie gekregen. We begonnen steeds erger te ruften. Het was niet veel maar ook de geringste hoeveelheid mercaptaan is onverdraaglijk. De Chinezen zaten er niet zo mee, maar de Noord-Koreanen gaven het op. Een paar weken geleden zijn we vrijgekomen. Ik heb een verklaring afgelegd bij de Militaire Inlichtingendienst. Ik verwachtte als een held ontvangen te worden. Maar men wilde geen gezeur. En om mij in Nederland weer een plek te geven moesten er in Brussel allerlei milieu-ontheffingen worden geregeld. Daar had blijkbaar niemand zin in. Ik zit nu in een undercover programma van de Nationale Dienst voor de Veiligheid van Hondenuitlaatweides. Ik moet onaangekondigd de toestand van dit soort grasveldjes inspecteren.’


Hij trok een broekspijpje omhoog en prikte even met zijn houten pootje in een versgedraaide chappiekanjer.


‘En?’ vroeg ik nieuwsgierig. ‘Niet slecht,’ zei het mannetje. ‘Maar het kan allemaal wel wat kleiner, vind je niet?’


Ik knikte. ‘Kleine hondjes, daar zijn de Chinezen ook mee bezig,’ zei hij, terwijl hij met een stukje keukenrol zijn houten pootje schoon probeerde te krijgen.


Dat beeld staat nu al een paar uur op mijn netvlies gebrand. Waar een groot land klein in kan zijn!



Espunt, 21 mei 2013