Het Vlooiencircus

Sprookje

Sprookje, 16 juli 2012,

Aangepast op 1 september 2020 bij tellerstand 2455

Titel veranderd van De Zwenkende Zoom in Het Vlooiencircus



Koning Alfons II zat net even bij te komen van een oersaaie vergadering met zijn ministers, toen zijn echtgenote, koningin Tiamaria binnenkwam. Rood aangelopen en zonder kloppen.

De koning schrok op en zei:

‘Maar mijn liefste…’

Verder kwam hij niet, want de koningin onderbrak hem meedogenloos.

‘Kom eens van die troon en ga naar je dochter. Nu! Naar mij luistert ze niet meer. Het is ook jouw dochter. Bemoei jij je er nu ook maar eens mee. Laat maar eens zien hoe goed je bent in regeren.’

Nadat ze dit had gezegd, vertrok de koningin weer, bijna zoals ze was gekomen: zonder kloppen, maar wel een beetje roder.


De koning zuchtte diep, schudde zijn hoofd en zei tegen zijn kleine gebochelde kamerheer die nooit ver weg was: ‘Ik ben even weg. Alles schuift een half uur op of evenzoveel meer als nodig is.’


Onderweg naar zijn dochter, de oogverblindend mooie prinses Sarabande, had de koning even tijd om zijn gedachten te ordenen. Morgen werd zijn dochter 18 jaar.De leeftijd waarop jonge vrouwen op hun mooist zijn. En zij was de mooiste van allemaal. Mooier dan welk meisje ook in het land. Heel het koninkrijk hoopte dat er spoedig een prins zou verschijnen die haar hart zou stelen, of veroveren, dat paste beter bij een prins. Misschien morgenavond wel. Tijdens het bal. Want er hadden zich veel adellijke jongemannen gemeld en de een stond nog moediger aangeschreven dan de ander. Goud van binnen plaatstaal van buiten. En onbemiddeld waren ze geen van allen.


Direct na haar zeventiende verjaardag was koninginmoeder Tiamaria met de voorbereidingen begonnen. De organisatie liep op rolletjes. De lichtgeparfumeerde uitnodigingen waren ruim op tijd verzonden. De respons was boven verwachting. Niets leek een goede afloop nog in de weg te kunnen staan. Maar juist dan moet je voorzichtig zijn. Overmoed maakt blind. En er zijn altijd geheime machten die er een genoegen in scheppen om het feestje van een mooie prinses in het honderd te laten lopen. En jawel hoor, ook nu was dat het geval. Hoe het complot in elkaar zat, wist niemand. Het was zelfs niet zeker of er wel sprake was van een complot. Maar feit was wel dat er een lelijke kink in de kabel was gekomen. Dat zat zo.


Een maand of twee geleden was er voornaam bezoek gearriveerd uit een land waar de koning niet zo veel me op had. Het was er volgens hem veel te warm. En dat verweekt het brein. Hij was zo onvoorzichtig geweest om dat een keer hardop uit te spreken terwijl er een journalist van De Bazuin in de buurt was. En toen duurde het niet lang of de koninklijke mening was ook in het te warme land doorgedrongen. Met alle vervelende diplomatieke gevolgen van dien.


Het voorname bezoek was door de koning uitgenodigd om, zoals hij tijdens een persconferentie opmerkte:de kou uit de lucht te halen. Dit nu betekende voor het te warme land opnieuw olie op het vuur en dat was wel het laatste waar ze op zaten te wachten. Het bezoek begon dan ook wat stroef maar van lieverlee werd het toch nog gezellig.


Op de laatste avond was er een intiem onderonsje, een entre-nous, om in kleine kring, niet gehinderd door adviseurs met verborgen agenda’s of journalisten met verborgen notitieboekjes, de laatste plooien glad te strijken. Ook koningin Tiamaria en prinses Sarabande waren hierbij aanwezig. Tijdens dit samenzijn vertelde een van de voorname gasten vol verve over het circus en hoe gek zijn landgenoten daar op waren. In het land van koning Alfons II was het circus een onbekend fenomeen. Dat leidde alleen maar af van het vermaak dat de koninklijke familie het volk bood.


Toen de koning het circusverhaal hoorde moest hij direct weer denken aan het effect van te veel warmte op de hersenen. Maar dit keer hield hij zijn mond. De voorname gasten waren niet meer te stoppen. De absolute top van de circuswereld was volgens de voorname gasten het vlooiencircus. Dat was pas echt genieten. In het land van de voorname gasten was het vlooiencircus allang geen plat volksvermaak meer. Hogere kunst was het en ze konden er niet genoeg van krijgen. Volle tenten en lang van tevoren reserveren. Het verbaasde de koning niet, maar hij liet niets merken. Hij had al genoeg aan zijn gekroonde hoofd.


Terwijl de koning en de koningin voorzichtig probeerden het gesprek in een andere richting te leiden, wilde prinses Sarabande juist alles van dit exotische fenomeen weten. Vlooien, beestjes van niks, die allerlei acrobatische toeren uithaalden en elkaar in piepkleine karretjes door een piepkleine piste voorttrokken. Het leek haar enig. Sterker nog, ze bleef net zo lang aan het hoofd van haar vader zeuren tot deze toestemming gaf voor een voorstelling ten paleize. De voorname gasten juichten het besluit toe. Het zou de betrekkingen tussen beide landen ongetwijfeld ten goede komen. En voor Sarabande zou het een bijzonder verjaardagsgeschenk zijn. De koning bedacht dat de nadelen, het verzet van zijn vrouw, niet opwogen tegen de voordelen. Sarabande vloog haar vader om de hals. Wat een feest zou dat zijn: het vlooiencircus zou speciaal voor haar overkomen uit het erg warme land. De koning werd alom geroemd om zijn wijsheid. En dat bleek maar weer eens terecht te zijn.


Dit alles had zich dus al wat eerder afgespeeld. Er was sindsdien het nodige gebeurd. Het was de koning direct duidelijk geweest dat zo’n vlooiengezelschap alleen tot zijn recht kwam in de goede enscenering en bij een uitgekiende belichting. Kortom, er was op alle fronten hard gewerkt en er was niets aan het toeval overgelaten om de voorstelling te laten slagen. Zo was er een echte kiekkast gemaakt uitgerust met vergrootglazen zodat de voorstelling tot in alle details gevolgd kon worden.


Gisteren had zich een wonderlijk gezelschap bij de poort van het paleis gemeld. Ruw volk in twee woonwagens en een tolk van de ambassade om het gesprek enigszins op gang te houden. Leden van de veiligheidsdienst hielden een oogje in het zeil wat nog niet eens meeviel omdat ze voortdurend bezig waren elkaars rug te bekrabben.


In de eerste woonwagen woonde het ruwe, slecht geschoren volkje, in de tweede huisde het circus. De circusartiesten zelf reisden mee op een aantal ondervoede katten in evenzovele kooien. Ook de paarden die de woonwagens trokken leden duidelijk onder het onverzadigbare vlooienvolkje. Op de schoften zaten grote kale plekken van het schuren langs bomen en elkaar. Op de zijkant van de woonwagens stond in felle kleuren gekalligrafeerd: Circus Go With The Vlo. Er waren al wat sneltekenaars bezig om voor hun krant een mooie reportage te maken.


De ontvangst van het wat morsige gezelschap was even slikken voor de hofhouding, maar iedereen realiseerde zich dat het ging om verbetering van de internationale betrekkingen en het geluk van prinses Sarabande. De wacht had haar gewaarschuwd toen men in de verte de stoet zag aankomen. Vanaf de Vette Fons, de zwaarste wachttoren, had ze de entree meebeleefd. Vol opwinding, niet in de laatste plaats door de verschijning van de circusmeester, trots zittend op de bok. Een knappe jongeling, zwart behaard en bruin geoogd. Soepel als een kat, gespierd als een prijsvechter. En met een verblindende lach toen zij hem vanaf de Vette Fons weinig koninklijk maar wel uitgelaten met een vrolijk joehoe welkom heette. Hij zou zelf een spectaculaire circusartiest kunnen zijn bedacht prinses Sarabande. Later zou zij begrijpen dat het laten floreren van een vlooiencircus in de circuswereld nog aanzienlijk hoger werd aangeslagen.


Dat het morsige gezelschap toch met alle egards werd ontvangen hing niet alleen samen met de noodzakelijke verbetering van de betrekkingen met het land waar het veel te warm was en met het geluk van de prinses, maar zeker ook met de groeiende nieuwsgierigheid onder het volk naar deze onbekende vorm van variété. En het moet gezegd, de voorstelling was zeer verfijnd. Dat wil zeggen, men had inderdaad een flinke loep nodig om de verschillende acts goed te kunnen volgen.


De nietige bloedzuigertjes trokken elkaar voort in gouden koetsjes, wat tot ingehouden hilariteit bij de lakeien leidde. In de koetsjes zat een vlooienpaartje en het ontging de dienstknechten niet dat het paartje overeenkomst vertoonde met koning Alfons II en zijn gemalin koningin Tiamaria. Ze hadden het voortdurend met elkaar aan de stok. Voor het koetsje uit kleine potsenmakers die koprolletjes maakten en zonder moeite over het koetsje heen sprongen. Aangekomen bij een kunstgrasveldje wipte het koningspaartje met een elegant sprongetje uit hun koetsje om getuige te zijn van een voetbalwedstrijd. Geheel in tenue joegen twee vlooienteams achter een vlierballetje aan. Er kwam geen eind aan alle kunstjes die de parasietjes blijkbaar allemaal hadden geleerd.


Alom verbazing en waardering voor deze buitengewone prestatie. Iedereen was het er over eens dat de show goed was geweest voor de relatie tussen beide volken. Na afloop omhelsde Sarabande dan ook spontaan de jeugdige circusdirecteur die het circus van zijn vader had overgenomen nadat deze aan chronische bloedarmoede was bezweken. De jonge directeur beantwoordde de hartelijke geste door de prinses krachtig tegen zich aan te drukken. Sarabande vreesde even voor een flauwte. Niet door bloedarmoede maar door een op hol geslagen hartenklop.


Welbeschouwd was de knuffel van de jonge vlooientemmer een liefkozing van het complete circus want zijn gespierde, blote armen boden plaats aan de voltallige artistieke bezetting van zijn circus. De voorstelling had veel van zijn medewerkers gevergd zodat acute bijvoeding geen overbodige luxe was.

De koning had het allemaal glimlachend aanschouwd en was met een voldaan gevoel aan een verkwikkende nachtrust begonnen. Een koninkrijk voor het geluk van zijn dochter. Hoe zou hij moeten weten dat deze geschiedenis nog een lelijk staartje zou krijgen.


Welnu, vanochtend, de grote dag, de verjaardag van zijn dochter, de dag van het grote bal, de dag waar het paleis, het hele land, al zo lang naar toe hadden geleefd, op de ochtend van die bijzondere dag waren de consequenties van de circusvoorstelling in volle omvang duidelijk geworden. Sarabande had een rood pikje op haar linker bovenarm ontdekt. En omdat het pikje nogal jeukte, had ze er aan gekrabd waardoor het kleine pikje was gaan groeien. Op haar linker bovenarm zat nu een flinke rode vlek.


Gevolg: totale paniek voor de spiegel. Haar volmaakte schoonheid was geschonden. Juist nu, op de dag dat het hele land die schoonheid zou vieren. Ze had haar moeder gesmeekt om het bal uit te stellen of af te gelasten. Er was voor Sarabande een jurk gemaakt die de armen bloot liet. Een jurk van een hemelse schoonheid, vervaardigd van bijzondere zijde. Zijde waarvoor speciaal gekweekte zijderupsen waren gebruikt die na het spinnen van hun sprookjesdraden gedood waren om te voorkomen dat er ooit nog een vergelijkbare jurk zou opduiken. Ze hadden in een beschut hoekje van de paleistuin een staatsbegrafenis gekregen.


Sarabande was ten einde raad. Koningin Tiamaria begreep het probleem maar hield haar dochter voor dat de adel haar steun aan het koningshuis wel eens kon intrekken als nu nog, terwijl alle prinsen met hun gevolg onderweg waren, het bal werd afgelast. Sarabande was in het geheel niet gevoelig voor dit argument. Het enige waar zij gevoelig, zo niet overgevoelig voor was, was het gif dat een vlo uit een te warm land bij haar had achtergelaten. De rode vlek leek groter te worden. Koude kompressen brachten even verlichting maar daarna kwam de jeuk nog verwoestender terug. Een ramp leek onafwendbaar. De eerste geruchten staken de kop op. Mogelijk had een lakei gelekt naar de pers. Het volk smeekte om nieuws.


Nu was het aan de koning om te laten zien wat hij waard was. Dus zei de koning tegen zijn dochter die zich achter het omhangsel van haar hemelbed had teruggetrokken:

‘Sarabande, lief kind van me, wat ik nu ga zeggen is geboren uit liefde voor jou.’

Hij wachtte even. Hij had een sterke band met zijn dochter. Er klonken een paar snikken en een diepe zucht en toen schoof de voorhang aarzelend open en verscheen zijn grote schat, zijn prachtige dochter. Het liefste dat hij bezat. Ze zag er niet uit met haar rooddoorlopen, amandelvormige ogen, maar dat zei hij niet.

‘Mijn grootste lieveling, luister en vertrouw je oude vader. Ik heb een oplossing.’

Deze belangrijke uitspraak van haar vader leek nauwelijks tot het fraaie schepsel door te dringen. Haar schouders schokten, ze was de wanhoop nabij.

‘We gaan de jurk vermaken zodat de onregelmatigheid niet meer te zien is. Wat dacht je daarvan? Ik heb de beste kleermaker van het land opgeroepen. Hij is onderweg.’

Nu kwam de prinses weer enigszins bij haar positieven.

‘Ja maar vader, hoe dan?’ zei ze nog wat zwakjes.

‘De jurk krijgt mouwen, wat dacht je daarvan? Het hoeft allemaal niet zo moeilijk te zijn.’

De koning klonk nogal tevreden over deze oplossing die hij zelf had bedacht.

‘Ja maar, pap, hoe dan? Extra zijde is er niet. De rupsen leven niet meer. Waar moeten we de mouwen van maken?’

De koning schrok even, omdat hij hier niet aan had gedacht, maar hij voelde ook opluchting omdat zijn dochter de suggestie niet direct hysterisch had verworpen. Nu kwam het eropaan. Zijn koninklijke brein werkte in de hoogste versnelling. En niet tevergeefs.

‘Daar heb ik natuurlijk aan gedacht. De oplossing is simpel. We halen een reep van de zoom en daar maken we de mouwen van. Voor onze kleermaker een fluitje van een cent.’

Sarabande wist niet wat ze hoorde.

‘Maar pappa, weet je wel wat dat betekent?’

‘Wat bedoel je?’ hield de koning zich groot.

‘Nou, dat iedereen dan mijn enkels kan zien?’


Ze kreeg er een kleur van omdat ze eigenlijk niets liever wilde. Maar haar vader was in zijn nationale kledingvoorschriften nooit verdergegaan dan blote armen. Bij feestelijke gelegenheden mochten de ongetrouwde meisjes sinds enige tijd hun blote armen laten zien. En dat gaf al opwinding genoeg. Vooral op het platteland wilden de boerendeernen de armgatopeningen nog wel eens extra ruim laten uitvallen. De koning moest even slikken, maar hij kon niet meer terug. Hij had het beleid uitgezet. En slecht beleid was altijd nog beter dan helemaal geen beleid of zwalkend beleid. Dus zei hij:

‘Ja, dat is waar. Maar het moest er toch een keer van komen. In het buitenland zijn ook al vrouwenenkels waargenomen. Een leider die de tekenen des tijds niet verstaat, eindigt op het schavot, mijn liefste. En als het dan toch moet gebeuren, dan maar gelijk met de mooiste enkels die er zijn.’


Hij gaf zijn dochter een knipoog. Zij op haar beurt vloog haar vader om zijn nek en kuste hem vol overgave vlak boven zijn baard. De koning voelde zich zeer opgelucht en zei:

‘Ik regel het verder wel met je moeder.’


Het bal werd een regelrechte sensatie. De kranten en tijdschriften stonden er vol van. De groepsfoto op de verlichte trappen van het paleis lieten niets aan duidelijkheid te wensen over. Vooraan in het midden stond de beeldschone prinses. Met bedekte armen en ontblote enkels. 18 jaar jong en wat een enkels! Maar over het prinsenaanbod was ze minder te spreken. Opgedirkte moederkindjes, praalhansen, hansworsten, ze kwam woorden te kort. En maar loeren naar die enkels.


Het nieuwe modebeeld verspreidde zich razendsnel door het land. De meisjes waren niet meer te houden. De schaar ging in de zoom, de enkel mocht eindelijk gezien worden. Maar de geest was uit de fles, of liever: de schaar was uit de mand. Waarom stoppen bij de enkel? Was de kuit minder dan de enkel? En waarom moest de knie een duister bestaan blijven leiden? En binnen een verfrissend korte tijd kon de schaar weer in de mand. Er was niets meer te knippen. Er viel niets meer te raden.


De koning had deze grensoverschrijdende bevrijdingsbeweging aanvankelijk met een zekere, ingehouden voldoening geobserveerd. Het streelde zijn ego dat de ideeën die ooit in zijn brein waren geboren, nu een vreedzame revolutie hadden ontketend die ook in het buitenland navolging kreeg. Het was een komen en gaan van delegaties die met eigen ogen wilden zien hoe eeuwenoude zeden in korte tijd omver werden geblazen door een storm van vrijzinnigheid.


Even was er een gevoel van euforie, van totale vrijheid. In het land en in het paleis. Maar op een dag stormde koningin Tiamaria, rood aangelopen en zonder kloppen, bij de koning naar binnen. Die zat net bij te komen van een oersaaie vergadering met zijn ministers.

‘Beste Alfons, ik zou...' begon de koningin, maar zij werd onderbroken.

'Alfons de Tweede, liefste, dat weet je heel goed,' sprak de koning vermanend. ‘Dat ordinaire Alfons, dat zouden we niet meer doen, weet je nog.’

'Je hebt gelijk, mijn heer, maar nu te zake. Ik zou het op prijs stellen als je eens met je dochter gaat praten. Ze wil mij niet zeggen wat er is, maar ik heb wel mijn vermoedens.’

‘O ja?’ zei de koning, ‘en wil je die soms met mij delen?’

‘Ach, waarom ook niet,’ zei de koningin. ‘Ik vermoed dat het iets met die korte rokjes te maken heeft.’

‘Verklaar je nader, liefste,’ sprak de koning liefdevol maar niet vrijblijvend. ‘Wat is er met die korte rokjes?’

‘Ze kunnen niet korter,’ fluisterde de koningin zwaar ademend. ‘Ze kunnen niet korter meer en daarom is onze dochter in een zwart gat terecht gekomen. Er vallen geen grenzen meer te verleggen. De spanning is er af. Onze jongens hebben alles gezien. Er is maximaal ingezoomd. Ze zijn niet langer geïnteresseerd. Ze boeken nu op grote schaal vakanties in het land waar het te warm is, ook al dragen de meisjes daar lange rokken.’


De koning verzonk in diep gepeins. Misschien wel juist daarom, bedacht de wijze vorst. Hij begreep dat er iets moest gebeuren. De impasse was trouwens ook tijdens de afgelopen kabinetsvergaderingen al aan de orde geweest. Kort na het begin van ‘Zoomrevolutie’ was de actuele roklengte punt 1. van de agenda geworden. Wekenlang. Volgens de minister van Relaties bestond er een invers, zo niet pervers, verband tussen de roklengte en het consumentenvertrouwen. Zijn stelling was: hoe korter de rok, hoe vetter de kok. Hoe korter de rok, hoe geiler de bok, wist de minister van Grote Huisdieren sinds kort. Een hoop gedoe dus. Maar wel leven in de saaie ministerbrouwerij. Intussen zat de roklengte al een tijdje tegen zijn natuurlijke grens aan. Welbeschouwd een dubbele grens. Bovengrens: bilnaad. Ondergrens: lengte nul. Een negatieve lengte was volgens de minister van Maten en Gewichten niet mogelijk. Als economische indicator had je aan de roklengte dus niks meer. ‘Logisch,’ bedacht de koning, ‘als je niks meer aan hebt.’ Hij dacht aan een oude collega, de keizer en de kleren die hij niet aan had. Een waarschuwing.


Iedereen was het erover eens dat er een nieuwe dynamiek nodig was. De slinger moest de andere kant op. De zoom moest zakken. Uitzakken. Uitzoomen. Maar hoe?


De ministers kwamen er niet uit. Ze kwamen niet verder dan een breed samengestelde commissie. Dus moest de koning het, zoals gewoonlijk, zelf doen. En zo geschiedde.


Omdat Sarabande deelde in de algemene roklengtemalaise was ze gelijk enthousiast toen haar vader suggereerde dat het misschien leuk was om het vlooiencircus weer eens te laten optreden. Alleen al die mooie vlooienmenner deed haar stemming onmiddellijk omslaan. Even de zinnen verzetten. Nu de betrekkingen met het land waar het veel te warm was, waren genormaliseerd had de koning van zijn ambassadeur vernomen dat er een geheel nieuwe voorstelling op het programma stond. De kleine artiestjes traden nu op in een soort mini-Olympische Spelen. De opening met de hele set in de vlooienmars binnentredend. Vooral de springnummers moesten spectaculair zijn. Schoonspringen vanaf de tiencentimeterplank. En wat te denken van een wedstrijd hink-stap-sprong voor vlooien waarbij een van de pootjes op het ruggetje was vastgelijmd. Sarabande vrolijkte zienderogen op. En voor beten op haar armen hoefde ze niet bang te zijn. De mode schreef al geruime tijd lange mouwen voor.


De dag na de voorstelling was Sarabande wakker geworden van de jeuk. Ze had na de voorstelling met de knappe circusdirecteur door de paleistuin gewandeld en daarna op een fluwelen bankje nagepraat over de voorstelling en nog weer later in het koninklijke mos onder de koninklijke paardenkastanje gelegen en geluisterd naar de nachtegaal. De knappe circusdirecteur had haar uitgelegd wat flikvlooien was. Ze hing aan zijn lippen. Er ging een wereld voor haar open.


En nu had ze jeuk op haar rechter bovenbeen. Heel hoog op haar rechter bovenbeen. Een rode vlek maakte haar totaal ontoonbaar. En dus moest de zoom zakken.


En hij ging zakken. Eerst ten paleize, vervolgens landelijk, en wat later ook internationaal. Steeds sneller. Om de slanke middeltjes verschenen weer centuren. Het leek de koning een goed idee om de naam centuur te veranderen in wispeltuur. Oude namen hoorden bij oude tijden. Het ging nu om de toekomst.

En de schone prinses had heel goed begrepen waarom de jonge ambitieuze directeur van het vlooiencircus deze keer in een vrolijke korte broek afscheid van haar had genomen. De spiegel had het laatste zetje gegeven. De koning had te doen met zijn dochter maar het landsbelang ging nu eenmaal altijd voor.


De beloning voor de jonge circusdirecteur die op zijn geheel eigen wijze de slinger de andere kant op had gekregen, was conform de opluchting onder de koninklijke familie en geheel conform de wens van de beeldschone prinses Sarabande. De koning gaf zijn dochter vol overtuiging weg. En ze leefden nog lang (en kort en dan weer lang) en gelukkig. En met het land waar het nogal heet was, ontstond een warme band.


Espunt, 16 juli 2012, aangepast 1 september 2020