Tochtige Laarzen

Kort verhaal, 6 maart 2018

Tochtige laarzen




Ons prachtige, natte, deltalandje






Het is bekend. Wij zijn het enige nuchtere volkje op aarde dat zich overal druk over maakt. Vaak ten onrechte, maar niet altijd.


Neem nou droge voeten. Daar hechten we terecht veel waarde aan. De zompige pol die we niet geheel toevallig Nederland noemen, heeft een paar aantrekkelijke eigenschappen waar we graag ons voordeel mee doen. Maar als het even kan wel graag met droge voeten of hooguit in de modder.


Een kwestie van dijken en pompen. En als die het even niet helemaal aankunnen dan is daar altijd nog de laars. Ons iconische polderschoeisel. En als het de laars ook over de rand klotst, wordt het tijd om met zijn allen een stukje naar het oosten op te schuiven.


Ik overdrijf niet als ik zeg dat ik mijn jonge jaren op laarzen ben binnengestapt. Ik schat, of moet ik zeggen ik hoop, want ik kan het niet meer navragen, dat ik op mijn tweede klaar was voor de laars. We hebben het dan over 1947. Er was toen echter nog gebrek aan alles, ook aan rubber, dus ik vermoed dat er niet gelijk een paar laarsjes klaarstonden toen ik voor het eerst op eigen kracht de deur uitstapte. Maar niet lang daarna ging de laars deel uitmaken van mijn persoonlijke standaarduitrusting.


Laarzen waren goedkoop, laarzen waren slijtvast en ze leverden geen drama’s op als je ze thuis onder de modder op de keukenmat of in het klompenhok uittrok. Even onder de kraan en ze waren weer als nieuw. In grote gezinnen gingen ze van voet tot voet. Onverwoestbaar en waterdicht, tenzij je ooit in een kraaienpoot stapte.


Door de week líep ik niet alleen op laarzen, ik deed er ook verder alles mee waar je buiten als jochie je voeten bij gebruikte. Bijvoorbeeld bij het straatvoetbal dat wij fanatiek beoefenden daarbij steeds gespitst op het monotoon stampende geluid van de overjarige Amerikaanse leger-Harley, want daar patrouilleerde de Hilversumse politie mee. Gelukkig droeg dat geluid ver zodat we altijd vriendelijk konden zwaaien als de motoragent passeerde terwijl wij aan het knikkeren waren. Wij begonnen nooit aan een partijtje zonder een handjevol knikkers in de zak van onze korte broek. Wij hadden overigens wel ontzag voor de agent. Het was een reus van een kerel. Ik wist van mijn vader, ook bij de politie, dat hij Gerrit Dorland heette. Met die kennis dwong ik bij mijn vriendjes het nodige ontzag af.



Op zondag was dit ondenkbaar




De zondag was laarsloos en dus tamelijk hopeloos. Schoenen, op de groei gekocht, verdroegen geen smet. Het waren immers zondagse schoenen. Ze waren bedoeld voor het kerkbezoek en voor de koffie na afloop bij opa en oma. Met je laarzen aan een kerk inbaggeren getuigde van een groot gebrek aan eerbied voor Gods huis en het was zelfs nog maar de vraag of Gods Zoon voor ons gestorven was om ons ook nog eens van deze zonde te verlossen.


Op die zondagse schoenen was je qua zieleheil in ieder geval gedekt, maar wee je gebeente als je er op straat mee uithaalde naar een bal die toevallig binnen schootsafstand kwam. Zo’n actie liet onuitwisbare sporen achter die in het gunstigste geval tot gevolg hadden dat je de volgende zondag huisarrest had. Nog minder dragelijk waren de dubbele zondagen op de hoogfeesten van Kerstmis, Pasen en Pinksteren. Twee dagen achter elkaar geen laarzen. Dat was spitsroeden lopen. Over het leed in de jaren dat 25 december op een maandag viel zal ik hier maar zwijgen.


Vooruit komen was voor mij al heel snel een aantrekkelijke gedachte. Vooruitkomen in het leven. Het lag voor de hand dat je daarbij scherp dat deel van de mensheid in de gaten hield dat had bewezen daartoe in staat te zijn geweest. In mijn kinderlijke verbeelding speelde de laars daarbij een bepalende rol. Overigens niet de laarzen van mijn vader. Die stonden in de kast en kwamen er nooit uit. Rijlaarzen, die hoorden bij zijn politie-uniform. Maar als ‘stille’ droeg hij nooit een uniform en ik zag hem dan ook nooit op die vreemde laarzen rondlopen. Het waren overigens naar mijn idee ook geen echte laarzen. Ze waren van leer en niet van rubber. En het waren ook meer beenkappen. Ze zaten niet aan een schoen vast. Nep.



Samen buffelen op klomp en laars.





Nee, het echte laarzengevoel stamde uit Friesland. Daar moet mijn liefde voor de laars al vroeg zijn ingeprent. Voor de echte kaplaars.


Wij gingen ieder jaar twee weken op vakantie naar mijn (andere) grootouders in Friesland. Het laarzenparadijs. In de schuur naast het grootouderlijk huis stond een hele batterij laarzen te wachten op alarm. Reusachtige laarzen. Mijn grootvader had maat acht en veertig.


Als ze even niet gebruikt werden, kon het zo maar gebeuren dat er een nest jonge poesjes in zat. Mijn grootvader schudde ook altijd even voor hij erin stapte. Vaak kwamen er angstaanjagend grote spinnen uit. Het waren de enige beesten waar mijn grootmoeder echt bang voor was. Mijn grootvader greep ze met zijn enorme handen en voerde ze aan de kraaien.


Als veeverloskundige moest je niet al te teerhartig zijn. Zijn grootste successen boekte hij als het hem lukte een kalf in de baarmoeder in stukken te zagen, zaag dus ook naar binnen, om zo een koe te redden die aan het kalveren dreigde te bezwijken. Hij was daar bedreven in en het leverde hem in de omgeving een heldenstatus op. Een koe redden betekende in die tijd en in die streek een gezin redden van de armoe. Vaak waren het stierkalfjes die voor problemen zorgden. Ik heb dit van horen zeggen. En dat was al erg genoeg.


Bij andere gelegenheden mocht ik wel eens mee de stal in. Dan meende ik soms de kreet ‘tochtige laarzen’ op te vangen. Het ging allemaal in een soort Fries-Drents dialect en dat was nauwelijks te verstaan. Tochtig was het zeker in zo’n stal en laarzen alom. Ik ook. Maar het verband ontging me. Op een zeker moment wilde ik het toch een keer weten. Onder het middagmaal, meestal snijbonen soms sperziebonen en aardappelen (alles uit de eigen tuin) en met eerder gevangen en gekookte snoek, vroeg ik wat tochtige laarzen waren. Mijn opa kreeg een grote grijns op zijn gezicht, oma en mijn vader en moeder kregen ineens last van graat in de keel. Tot grote opluchting van mijn ouders hield opa het zakelijk en was ik duidelijk nog te jong om de mentale stap van rund naar mens te maken. Anderen waren op dat punt al weer een stuk verder, zoals onze meester, die mensen, meer in het bijzonder zijn leerlingen, graag op één lijn stelde met het rund.



Siebenmeilenstiefel




Menig kleuter zal mentale schade hebben opgelopen bij de aanblik van die reuzenlaarzen maar voor mij als vroegrijp knaapje waren ze onweerstaanbaar. Ze voelden als de brug naar de volwassenheid. Ik deed niets liever dan in die zevenmijlslaarzen rondschuifelen. Klein Duimpje was mijn held. Alleen al de ervaring dat je met deze blokken aan het been vooruit kwam, gaf mij een overweldigend gevoel van erbij horen op. Zonder laarzen was overleven in het Friese land vrijwel uitgesloten. De boerenerven, de stallen en de weilanden waren poelen van modder en stront. Zelfs klompen boden vaak geen soelaas. Het waren laarzen die het bestaan van de boer en de veeverloskundige mogelijk maakten. En het werden laarzen die mijn jongensjaren vleugels gaven.


Laarzen werden op de groei gekocht. Je had voor nieuwe laarzen heel wat gebreide kousen over elkaar heen nodig om ze een beetje passend te krijgen. Een gezonde Hollandse jongen die trouw zijn levertraan slikte, kon ieder jaar met een paar sokken minder toe. En in slechte tijden, en daar hebben we het hier wel over, liep je nog een jaar extra op laarzen met een negatieve sokmaat. Laarzen die te klein waren geworden. Op de plek waar de grote teen door de levertraan naar voren werd gestuwd, verscheen dan in de loop van zo’n marteljaar een groeiende uitstulping. Zoals bij een oude binnenband met een zwakke plek.


Al die kousen werden overigens door mijn moeder vol overgave gebreid en gestopt. Als eerste trok je de kniekousen aan, die naar behoefte werden aangedikt met korte kousen. Desondanks bleven de laarzen om je voeten klapperen. Bij het stapvoets lopen was dat meestal geen probleem, wilde je versnellen dan gaf de laars niet thuis en had je een aangepaste techniek nodig om vooruit te komen.


Omdat wij vrijwel het hele jaar een korte broek droegen, bestond het gevaar dat er na verloop van tijd op de kuit net onder de knie irritatie ontstond door de onophoudelijk schurende bovenrand van de laars. Wat hielp was zeer lange kniekousen, maar die waren zeldzaam. De gezinnen waren groot en voor het breien van kniekousen met extra kuitlengte was geen tijd. Er waren meer snottebellen die kousen nodig hadden. En ook kousen die wel op lengte waren, lieten het na een paar wasbeurten meestal afweten omdat het elastiek het begaf. Zo’n kous hing dan permanent in een soort prop op je enkels en bij te wild gedrag, zoals voetballen, schoof het hele zaakje langzaam maar zeker verder de laars in totdat je het gevoel had dat je op eieren liep. Hoe het ook zij, wij droegen onze laarzen eigenlijk standaard met een omgeslagen boord. Ze werden daardoor wat korter en ze klapperden en schuurden minder om je kuiten omdat de omslag vrij stijf was. Maar misschien nog wel het belangrijkste van deze dracht was dat we het gewoon stoer vonden. Vraag me niet waarom. Een van de kleine geheimen van het jongensbestaan in de jaren vijftig.



Aan de houding van de jongn rechts te zien schaatst hij niet alleen op laarzen maar is het einde ook nabij.




Voetballen op laarzen was een kunst. De technieken die je leerde beheersen, bleken in de latere noppenfase nauwelijks van waarde. Wat wel succesvol was, was de ontwikkeling van een weelderige schimmelcultuur. Zweetvoeten en niet zo misselijk ook. Een geschenk voor het leven.


Schaatsen deden we ook op laarzen. Een nog veel grotere uitdaging. Schaatsen is al een kunst als je stevig op de ijzers staat, op laarzen wordt het ronduit een marteling. Schaatsen van toen waren van hout en voorzien van riempjes en een hakband. Door het gebrek aan steun van de laars bestond de neiging om de riempjes steeds strakker aan te halen. Nog een gaatje, en dan nog een. Het gevolg was rampzalig. De voeten raakten geheel afgekneld, c.q. afgestorven, en na verloop van tijd braken de riempjes, ook al omdat ze nooit waren ingevet.


Laarzen isoleerden voor geen meter, dus ook zonder volledige afsluiting van de bloedtoevoer kwam na enige tijd het afsterfproces op gang. Maar de wrede bandage versnelde dit proces aanmerkelijk. Riembreuk was zo bezien dan ook een zegen. Maar dan moest je ook nog zonder voeten op een schaats aan de oever proberen te komen. De treurige, voortijdige maar ook onvermijdelijke afloop van een middagje ijspret. Maar we hadden weinig keus. Zeg maar geen.


Voetballen op laarzen was een opgave. De laars bood weinig steun en een krachtige schot of een beetje pingelen kon je wel vergeten. Er vlogen ook regelmatig laarzen in het rond van armoedzaaiers die te weinig sokken aan hadden.


Tot mijn twaalfde heb ik op straat en op stukjes gras op laarzen gespeeld. Door mijn voetbaltalent, geërfd van mijn vader, was ik in staat de handicap van de laars enigszins te compenseren. Maar ik ben er niet zonder kleerscheuren doorheen gekomen. Behalve de ontwikkeling van de eerder genoemde zweetvoeten van de buitencategorie zwikte ik regelmatig door een enkel waarna ik weer een aantal dagen met de voet omhoog moest. Zwaar ingezwachteld met vette watten. In het EHBO-boekje van het Rode Kruis kon je zien hoe je zo’n enkelverband moest aanleggen. Op een gegeven moment kon ik het zelf. Maar tegen die tijd waren mijn kapsels al zo getormenteerd dat de huisarts mijn ouders het uitdrukkelijke advies gaf mij nooit toe te staan lid van een voetbalclub te worden. En zo werd er tot mijn een en twintigste een zwaar slot gezet op de toegang tot het hoogste wat er in een jongensfantasie te bereiken viel, de bewondering van de toeschouwers langs de lijn voor die knaap van de winnende goal, met name van de meisjes die speciaal voor mij gekomen zouden zijn. Voor mij een soort doodvonnis. Mijn laarzenvriendjes wel, ik niet.



Eind jaren veertig. Zo maar een schoolvoetbalteam, ergens uit Friesland. Het gebruikte schoeisel is op slnkse wijze buiten beeld gehouden. Staande, tweede van rechts zou zo maar een neefje van Abe Lenstra kunnen zijn.




Maar toen ontstond plotseling een geheel nieuwe situatie. Onze lagere school ging meedoen aan het schoolvoetbaltoernooi en ik zat bij de selectie. Nu voorzag ik toch echt problemen als ik geen steviger schoeisel kon regelen. Ten einde raad legde ik het probleem aan mijn vader voor. Ik hoefde geen lid van een club te worden. Dit waren maar een paar wedstrijden. Hij begreep het. Hij was zelf op zijn zeventiende al middenvoor van EMM. Zijn eigen voetbalschoenen had hij al veel eerder van de hand gedaan, maar zijn jongste broer voetbalde nog. Misschien had die nog een paar afgetrapte kicksen staan die hij niet meer gebruikte. Mijn moeder keek zorgelijk maar verzette zich niet.


Uit het schuurtje van ome Wil kwamen een paar echte voetbalschoenen tevoorschijn. Ome Wil vroeg zich af wat die afbraak daar nog deed. De noppen waren afgesleten, het leer zwaar uitgedroogd en gerimpeld, de veters waren afgebroken en alles was overdekt met een witgroen mos. Schimmel. Ik hoef ze niet terug te hebben, zei ome Wil. Het zijn nog prima schoentjes. Hier, voel die punt maar. Die punt voelde inderdaad onwijs hard. Er werd in die tijd veel meer gepunterd dan nu. Wil je ze nog passen, vroeg ome Wil. Nee natuurlijk niet. Dit was mijn enige en laatste kans om de laarsperiode af te sluiten. Stel je voor dat ze niet pasten!


Natuurlijk pasten ze niet. Ze waren een maatje of vier te groot. Bij de eerste wedstrijd werd ik in de rust gewisseld. De andere twee wedstrijden begon ik op de bank. En daar zat ik na het laatste fluitsignaal nog steeds. Maar de tijd van de tochtige laarzen was voorbij. Na de zomer naar de middelbare school. Een nieuwe tijd. Iedere leerling diende in het bezit te zijn van een hockystick.


Espunt, 6 maart 2018