Exoplaneten en hun mogelijke bewoners. Deel 3


Hoe bijzonder zijn wij?

We zijn al een tijdje serieus op zoek naar nieuw (lees onbekend) leven. Leven buiten de aarde. Leven op andere planeten. Leven ook op planeten bij andere sterren dan onze zon. Lang was het (letterlijk) een ver-van-ons-bed-show. Er was wel al heel lang belangstelling voor dit thema. Maar dan toch vooral in filosofische en esoterische zin. Er was leven in het universum. Natuurlijk. Hier op Aarde. Intelligent leven zelfs, als we intelligentie voldoende ruim definiëren. Maar verder was het toch vooral serieus spelen met ideeën. Er waren ooit goden, engelen, duivels en geesten. Ze krijgen nu mogelijk gezelschap van wezens van vlees en bloed, mogelijk zelfs van staal en chips.

Leiden, herfst 1924. Prof. Ehrenfest, hoogleraar theoretische natuurkunde in Leiden, met zijn studenten.

Van links naar rechts: Gerard Dieke, Sem Goudsmit, Jan Tinbergen, Paul Ehrenfest, Ralph Kronig, en Enrico Fermi.

Waar zijn ze?

Een van die “speelse” ideeën werd in 1950 op tafel gelegd. Oneerbiedig gezegd zou je het bijna een losse flodder kunnen noemen. Maar dan wel van iemand waarvan de intelligentie onbetwistbaar is: de befaamde Italiaanse natuurkundige Enrico Fermi. Aanleiding was de groeiende publieke onrust in de VS door berichten in de media over geheimzinnige vliegende objecten (al snel vliegende schotels genoemd).


Fermi’s simpele overweging, gemaakt tijdens een lunch op Los Alamos (zie ook de film Oppenheimer) met een paar collega’s, luidde: “Laten we er vanuit gaan dat Aarde niet uitzonderlijk is, een gemiddelde planeet in een gemiddeld planetenstelsel bij een gemiddelde ster. Dan mag je aannemen dat er elders in onze Melkweg meer aardachtige planeten voorkomen. Aan het bestaan van andere planetenstelsels werd in 1950 nauwelijks getwijfeld, ondanks het feit dat er op dat moment geen enkel hard bewijs voor was. Dan lijkt het waarschijnlijk dat er, net als op de planeet Aarde, ook elders technologisch intelligent leven is ontstaan. Soms veel ouder, mogelijk ook jonger dan onze Aardse beschaving. Een oudere hoogtechnologisch ontwikkelde beschaving moet in staat zijn geweest geavanceerde middelen te ontwikkelen waarmee de ruimte verkend en mogelijk ook gekoloniseerd kan worden. Een paar miljoen jaar is voldoende om alle Aardachtige planeten te bereiken. Waarom hebben we van dat intelligente, buitenaardse leven dan nooit iets gemerkt?” Fermi kon daar maar één conclusie uit trekken: Dus bestaan ze niet. En dus is de Aarde wel degelijk uniek.


De Melkweg is ruim 1 miljard jaar na de Big Bang ontstaan en is 13,6 miljard jaar oud. Na een heftige “jeugd” kwam de Melkweg 8 miljard geleden in rustiger vaarwater. De vorming van onze zon met haar planeten begon 4,6 miljard jaar geleden.

 

Het is duidelijk dat Fermi los uit de pols een paar belangrijke aannames deed. Dat hij de aanleiding van zijn uitspraak, de UFO-meldingen, negeert valt nog te begrijpen. Maar hij ging er ook vanuit dat een hoogontwikkelde beschaving in staat en geneigd zou zijn tot iets wat later ook Aardse beschavingen aantrok: communicatie, kolonisatie of in ieder geval nieuwsgierigheid en wellicht ook behoefte aan grondstoffen in de meest brede zin van het woord. Galactische “Lebensraum”. Maar ook niet helemaal uit de lucht gegrepen. We weten intussen dat in de loop van de evolutie het leven alle bereikbare niches heeft weten te benutten. Uiteindelijk een gevolg van mutatie en groei.

Naarmate het vermoeden sterker werd dat er ook bij andere sterren dan onze zon planeten voorkwamen, kreeg de vraag van Fermi meer inhoud en veranderde Fermi’s Opmerking in de Fermi-Paradox (klik hier voor een eerdere bijdrage). Het werd in de loop van de tijd een kapstok waaraan steeds meer verklaringsvarianten werden opgehangen: waarom wel en waarom niet? Als wij geen sporen zien, hoeft dat nog niet te betekenen dat “ze” er niet zijn. We gingen op zoek naar sporen en we zochten naar verklaringen voor het, vooralsnog, ontbreken daarvan. Het ongelijk van Fermi is nog niet bewezen.

Stroomversnelling

Sinds het midden van de jaren negentig is het speuren naar buitenaards leven, en in het bijzonder buitenaardse intelligenties, in een stroomversnelling geraakt. Het werd nu bloedserieuze wetenschap. We leerden hoe je planeten bij andere sterren dan de zon, zogenoemde exoplaneten, kunt opsporen en wat je er aan kunt meten.


De eerste exoplaneet rond een normale ster werd in 1995 door de Zwitserse astronoom Michel Mayor ontdekt bij de ster 51 Pegasi in het sterrenbeeld Pegasus. De planeet kreeg de naam 51 Pegasi b. Wordt bij dezelfde ster later nog een planeet gevonden dan krijgt die de toevoeging -c-, enz. De letterreeks volgt het tijdstip van ontdekking, dus niet de positie in het planetenstelsel.

De mens is vol overtuiging begonnen aan een verkenningstocht die misschien wel een van onze diepste verlangens beroert: zoeken naar een antwoord op de vraag of wij er alleen voor staan in dat onmetelijke en vooral ook levensvijandige universum, of dat er wellicht elders universele lotgenoten zijn, of geweest zijn, die zichzelf vergelijkbare vragen hebben gesteld, of op dit moment stellen.

 

In vorige afleveringen, klik hier voor deel 1 en hier voor deel 2, hebben we onder meer wat historische aspecten van dit thema besproken. Waarom was het tot voor kort zo lastig om serieuze aandacht te krijgen voor dit verhaal? En wat is er nu anders?

Extreme claims vragen om zeer sterk bewijsmateriaal

Het was de bekende astronoom Carl Sagan (1934 – 1996), in de tweede helft van de vorige eeuw nauw betrokken bij diverse Amerikaanse ruimtevaartprogramma’s, die met een sindsdien vaak geciteerde stelling kwam als buitenaards leven aan de orde was: “Extraordinary claims require extraordinary evidence”, ofwel: “Buitengewone claims vragen om zeer sterk bewijsmateriaal”. En dat lijkt me juist. Hij was er zelf sterk van overtuigd dat we buitenaards leven zouden vinden.


Serieuze UFO-watchers hebben “geleden” onder dit strenge criterium. Pijnlijk maar terecht. Maar ook voor hen lijkt er nu wat licht aan het eind van de tunnel te dagen. Het ET-thema, dat lang alleen in de pulppers werd vermeld, begint “salonfähig” te worden. Je zou kunnen zeggen dat nu ook in serieuze kringen, zoals het Amerikaanse leger en het Congres, de UFO’s mentaal zijn geland. Om teleurstellingen te voorkomen: ze spelen in dit verhaal een zeer ondergeschikte rol.


Ze hebben om communicatief-strategische redenen wel een nieuwe naam gekregen. In plaats van UFO moeten we ze nu UAP noemen, wat staat voor Unidentified Anomalous Phenomenon. Een nieuwe lente, een nieuwe naam. De Vliegende Schotel was net iets te vaak gecanceld. Toch wat minder beeldend.

“Wij bestaan!”

Carl Sagan had zijn stelling opgepikt van een grote voorganger, de beroemde en geniale Franse wiskundige en astronoom Pierre-Simon Laplace (1749 – 1827). We hebben Sagan in deel 1 al even geïntroduceerd. Hij was zeer geboeid door de mogelijkheid dat onze Aarde als verblijfplaats van (intelligent) leven niet uniek was. Het was ook zijn idee om de eerste ruimteverkenners uit de jaren zeventig, de Pioneers (10 en 11 in 1972), de Voyagers (1 en 2 in 1977), waarvan verwacht mocht worden dat ze ooit het zonnestelsel zouden verlaten (is intussen min of meer gebeurd), een boodschap mee te geven voor het geval er ooit intelligente wezens van elders de nietige ruimtescheepjes zouden aantreffen. Zie deel 1 en deel 2. Onze boodschap aan de wereld, lees universum: Wij bestaan, wij willen graag kennis maken.

Maar was het misschien niet een wat naïeve boodschap? Mag je aannemen dat ET ons per definitie goed gezind is? Misschien bestaan er naast aardige ook wel boosaardige ET-varianten. Het is zelfs niet ondenkbaar dat in oude, hoogontwikkelde beschavingen “technowezens” de plaats hebben ingenomen van “biowezens”. Er wordt de laatste tijd gewaarschuwd voor de te verwachten dominantie van Kunstmatige Intelligentie. Wat voor ethiek komt daarin terecht? Hoe staan kunstbreinen in het leven? Eén ding is duidelijk, Science Fiction begint op allerlei plekken werkelijkheid te worden. En je hoeft je er niet meer voor te schamen als je moet toegeven dat het genre je boeit.

Spoorzoeken

We zijn geïnteresseerd in buitenaards leven, in buitenaards intelligent leven en misschien nog wel het meest in technologisch hoogontwikkelde beschavingen, omdat we daarmee misschien “in gesprek kunnen komen”. Van de laatste zouden we ook specifieke aanwijzingen kunnen aantreffen die samenhangen met hun high-techstatus. We spreken dan van techno-signatures. Aanwijzingen voor het bestaan van intelligentie op grond van technologische activiteiten. Het is een serieuze optie waar door sommige groepen naar wordt gezocht. En er is in de eerste ruimtevaartprogramma’s door Carl Sagan dus al op ingespeeld.

 

Even terug naar het lot van die ruimteverkenners van het eerste uur, de Voyagers en de Pioneers. We zijn intussen vrij goed op de hoogte van de positie van de sterren in de directe omgeving van de zon (dat hebben weer andere ruimte-instrumenten voor ons uitgezocht). Sterren die overigens niet stil staan maar bewegen. Over 100.000 jaar zien de bekende sterrenbeelden er echt anders uit!

 

De afstanden waar ruimtevaartuigen (en wellicht ook ruimtevaarders) mee te maken krijgen zijn onvoorstelbaar groot. Ze worden vaak uitgedrukt in lichtjaren. In vacuüm plant licht zich voort met een snelheid van 300.000 km/seconde. Een lichtjaar is de afstand die het licht in een jaar aflegt: ongeveer 9,5 biljoen kilometer. Ter vergelijking: de afstand van de Aarde tot onze Zon bedraagt 150 miljoen km en dat staat gelijk aan 8,3 lichtminuten. Het licht van de zon doet er 8,3 minuten over om de Aarde te bereiken.

Onlangs hebben de astronomen Bailer-Jones en Farnocchia een poging gedaan om de route van bovengenoemde vroege ruimteverkenners te berekenen. De Voyagers 1 en 2 en de Pioneer 11 vliegen richting onze naaste buurster Proxima Centauri (een rode dwerg op een afstand van 4,24 lichtjaar van onze Zon). De Voyager 1 passeert deze ster over 16.700 jaar op grote afstand (ruim 3 lichtjaar) en gaat dan op weg naar de ster TYC 3135-52-1 (op een afstand van 49,6 lichtjaar van de zon) waar hij over ruim 300.000 jaar langs komt. Dan wel op een wat kleinere afstand (ongeveer een lichtjaar). De waarschijnlijkheid dat dit gaat gebeuren is aanzienlijk. De ruimte tussen de sterren is namelijk vooral erg leeg, de kans op “aanvaringen” klein, maar niet nul. Met name in de buurt van sterren vliegt relatief veel ruimtepuin rond.


De snelheid van de vroege ruimteverkenners ten opzichte van de zon lijkt met circa 20 km per seconde (Voyager) enorm maar is volstrekt onvoldoende voor zinvolle fysieke contacten met zelfs de meest nabije sterrenstelsels. In futuristische verkenningen gaat men eerder uit van zeg 10 % van de lichtsnelheid en dan hebben we het over 30.000 km per seconde! Toekomstmuziek die nu nog van heel ver komt.

Er zijn intussen ruim 5500 exoplaneten opgespoord. Op grond van die verzameling is een voorlopige indeling in een viertal types gemaakt. Gasreuzen, zoals bij ons Jupiter en Saturnus, planeten die qua omvang te vergelijken zijn met onze Neptunus en Uranus, Superaardes, groter dan de Aarde maar wel rotsachtig, en dan de aardachtigen, gelijk of kleiner dan de Aarde, sommige kunnen oceanen en atmosferen bevatten. 

Bio en Techno

Behalve naar sporen met een technische oorsprong zoeken we ook aanwijzingen die biologisch van aard zijn, de zogenoemde bio-signatures. Het zijn sporen die tot biologische processen te herleiden zijn en die we vooralsnog in de atmosfeer van exoplaneten moeten zoeken. Aanwijzingen voor buitenaards leven dus.


Een buitenaardse intelligentie die de samenstelling van onze atmosfeer analyseert, zal al snel tot de conclusie komen dat er opvallend veel zuurstof in zit. Veel meer dan je op een levenloze planeet zou mogen verwachten. Kortom: er zal dan ergens in de kosmos een belletje gaan rinkelen. Is daar iets dat permanent zuurstof produceert? Jazeker, zouden wij willen uitroepen, een groene levensvorm die de straling van zijn moederster, in dit geval onze zon, benut als energiebron om in leven te blijven waarbij als bijproduct zuurstof vrij komt. We hebben het dan natuurlijk over de fotosynthese van plankton en planten zoals op Aarde op grote schaal plaatsvindt.


Het ligt voor de hand dat biologische sporen wat eerder aan het licht zullen treden dan technische sporen die immers door intelligent leven moeten zijn achtergelaten zijn. We kunnen er rustig vanuit gaan dat intelligent leven dat technisch hoogontwikkeld is, veel zeldzamer is dan leven in het algemeen. Daar staat tegenover dat technische sporen nog heel lang kunnen voortbestaan ook nadat de beschaving die ze heeft voortgebracht, is uitgestorven of vernietigd. Dat geldt uiteraard ook voor onze ruimteverkenners. Ze vliegen onbekommerd verder, ook als wij al lang zijn uitgestorven.

Bij technologische sporen moeten we overigens niet alleen denken aan constructies en artefacten e.d. op een verre planeet. Ook bijzondere moleculen in de atmosfeer van een exoplaneet, die geen natuurlijke oorsprong hebben, kunnen intelligentie verraden. Denk aan CFK’s, de door de mens nu in de ban gedane chloorfluorkoolwaterstoffen, die tot voor kort dienst deden als koelmiddel in onze koelmachines, maar nu verboden zijn omdat ze de voor het Aardse leven zeer belangrijke ozonlaag aantasten.


Vooralsnog is er een ander en meer voor de hand liggend technisch spoor waar al heel lang naar wordt gezocht: signalen die vanaf bewoonde exoplaneten als elektromagnetische straling de ruimte in worden gezonden (bewust of als “afval”). Het was de astronoom Frank Drake die in 1960 voorstelde om met radiotelescopen te gaan zoeken naar (radio)signalen uit de ruimte die zouden kunnen wijzen op een “intelligente bron”.


Radio- en wat later tv-zenders op Aarde produceren sinds een eeuw straling die niet door de atmosfeer wordt tegengehouden (korte golf) en dus de ruimte in stromen. Die signalen verplaatsen zich met de snelheid van het licht en zijn nu dus ongeveer 100 jaar onderweg. De vroegste straling heeft dus een afstand van 100 lichtjaar afgelegd. Binnen een bol om de Aarde met een straal van 100 lichtjaar zouden buitenaardse “ontvangers” nu op de hoogte kunnen zijn van ons bestaan (als ze ook achter de radiotelescoop zitten). We weten dat in die bol circa 15.000 stersystemen (sterren met hun planeten) voorkomen. Technologisch hoogontwikkelde beschavingen binnen een bol met de halve straal, dus 50 lichtjaar, hebben zelfs de tijd gehad om een reactie te sturen die ons heeft kunnen bereiken (in 50 jaar of minder). Dan gaat het om circa 1300 stersystemen.


Het is ook duidelijk dat zelfs communicatie met onze naaste buren naar menselijke maatstaf dus veel tijd gaat kosten. Daar is niets aan te doen. Elektromagnische straling, zoals onze radiogolven, gaan nu eenmaal met de lichtsnelheid, en niet sneller. Verder moeten we er rekening mee houden dat het ongecontroleerd uitstralen van radiostraling door buitenaardse beschavingen wel eens van korte duur kan zijn. Wij zijn intussen ook al overgestapt naar kabel en glasvezel.


Het zogenoemde SETI-programma (Search for Extra-Terrestrial Intelligence ofwel Zoeken naar Buitenaardse Intelligentie) heeft intussen een bewogen geschiedenis achter de rug en loopt nog steeds. Tot op heden nog zonder resultaat. Men zoekt met enorme radiotelescopen naar de voor dit doel betekenisvolle signalen.

 

Technische en biologische sporen staan niet los van elkaar. Het voorkomen van opvallende zuurstofconcentraties in de atmosfeer van een exoplaneet is een sterke aanwijzing voor de aanwezigheid van leven. Maar voor het ontstaan van een technologisch hoogontwikkelde beschaving moeten we nog een stap verder gaan. Op 2 januari 2024 kwam ik een artikel van de astronomen Adam Frank en Amadeo Balbi tegen waarin ze betogen dat zuurstof essentieel is voor het produceren van vuur en dat vuur aan de basis ligt van iedere technologische beschaving. Je kunt de vuurfase niet overslaan en direct elektriciteit gaan benutten. Volgens de auteurs moet de zuurstofconcentratie in de atmosfeer voor technologische toepassingen dan hoger zijn dan 18%. Exoplaneten die een lagere concentratie laten zien, zullen waarschijnlijk niet bewoond worden door een hoogtechnologische beschaving.


Op Aarde is de zuurstofconcentratie in de atmosfeer nu 21%. Veilig maar liever niet een paar procent meer. Zuurstof is chemisch zeer actief (ongezond). En daarbij, een paar procent meer in de atmosfeer kan het risico van spontane ontbranding en nauwelijks te blussen branden al aanzienlijk verhogen.

Intelligent leven kan wellicht ook in een zuurstofarm milieu nog wel ontstaan. Denk aan intelligent zeeleven zoals de dolfijn en de octopus. Maar technologieontwikkeling kan niet zonder voldoende zuurstof. De auteurs spreken van “de zuurstof-bottleneck”. Het is overigens niet de enige bottleneck waar we bij het nadenken over het ontstaan van (intelligent) leven tegenaan lopen. Zo zijn er interessante exoplaneten ontdekt, de zogenoemde Hycean Worlds, die omgeven zijn met een zeer diepe oceaan, soms nog afgedekt door een dikke ijslaag. Het is goed denkbaar dat in zo’n oceaan leven kan ontstaan dat zijn energie langs chemische weg verwerft. Bij voorbeeld door gassen om te zetten die door onderzeese vulkanen worden uitgestoten (black smokers). In zo’n omgeving kan leven ontstaan maar is technologieontwikkeling moeilijk voor te stellen.

 

Black Smokers op de bodem van de oceaan. Vulkanische activiteit op breukgordels in de oceanen. Heet water, verzadigd met mineralen en gassen als zwavelwaterstof, vormt de basis voor heel specifieke leefgemeenschappen. Aan de basis staan bacterieën die hun energie ontlenen aan het "verbranden" van zwavelwaterstof. Volgens sommigen zou in dit soort hot spots wel eens leven kunnen zijn ontstaan. Een tegen vernietegende straling van de jonge zon beschermende omgeving, met water, de vereiste biochemische bouwstenen en een energiebron.

Stormachtige ontwikkeling

Toen we eerder Carl Sagan aan het woord lieten, hebben we al even de naam van Laplace genoemd. Laplace past ook om een andere reden uitstekend in ons verhaal. Hij herformuleerde en ontwikkelde de zogenoemde zonnenevelhypothese. Een verklaring voor de vorming van het zonnestelsel. En hij was ook nog eens een van de eersten die het bestaan van zwarte gaten en de notie van gravitationele instorting (het ontstaan van hemellichamen door verdichting van een gaswolk onder invloed van de eigen zwaartekracht) postuleerde. Hij stond daarmee aan de basis van de moderne inzichten in het ontstaan en de ontwikkeling van melkwegen, sterren en planetenstelsels, waar we straks verder induiken.


De zoektocht naar buitenaards leven heeft de afgelopen decennia een stormachtig karakter gekregen. Nieuwe krachtige waarnemingsinstrumenten, zowel op aarde maar vooral ook in de ruimte, begonnen ons zicht op en inzicht in “de wereld om ons heen” revolutionair te verrijken. Ruimte-observatoria die op dit punt geschiedenis hebben gemaakt zijn onder meer Keppler, Hubble, Tess en James Webb. Met name de laatste zorgt regelmatig voor “breaking news”.

En er staat nog het een en ander aan spectaculaire instrumentatie op stapel! Een volgende generatie hulpmiddelen mede geïnspireerd door de ontdekkingen en ervaringen van de afgelopen decennia. Wat die ons hebben geleerd, en nog steeds volgen de ontdekkingen elkaar in hoog tempo op, zullen we hierna de revue laten passeren.


Essentie van dit grote verhaal: was er tot in de jaren negentig nog hooguit een vermoeden van het bestaan van planetenstelsels bij andere sterren,.daarna werden ze met de genoemde hulpmiddelen ook echt waargenomen. Weliswaar indirect, maar toch onmiskenbaar. De lijst exoplaneten groeit gestaag en staat nu (eind 2023) op ruim 5.500 bewezen exoplaneten. Er staan er nog 10.000 op de lijst van “te verifiëren”. En dat is pas het begin!


Op grond hiervan lijkt het gerechtvaardigd dat in vrijwel alle gevallen de vorming van een ster gepaard gaat met het ontstaan van een of meer planeten. Een soort restverschijnsel. Alleen al in onze Melkweg zijn er naar schatting tussen de 200 en 400 miljard sterren. Het aantal planeten moet dus van een vergelijkbare orde zijn. Enorm!


Intussen is ook duidelijk geworden dat er enorme aantallen planeten in alle eenzaamheid door de ruimte zwerven. Vaak omdat ze in de beginfase van een planetenstelsel uit de greep van hun moederster zijn geslingerd. Soms ook om andere redenen. Weesplaneten. Zonder het licht en de warmte van een moederster lijken ze niet erg geschikt voor het doen ontstaan van leven. Maar helemaal uitgesloten ishet niet. De planeet kan zelf warmte produceren en onderzees vulkanisme kan een chemische energiebron betekenen.


Op grond van de enorme aantallen planeten en van de vooronderstelling (het Copernicusprincipe) dat onze zon met zijn planeten geen uitzonderlijke plaats inneemt in het universum, anders gezegd: we zijn nogal gewoontjes, niks bijzonders, is het niet zo moeilijk om te concluderen dat er dan ook, net als in ons zonnestel, op vele plekken leven moet zijn ontstaan, en met een beetje geluk ook intelligent leven. De vraag is wel of het Copernicusprincipe, dat aan de basis staat van de astronomie, in dit geval bruikbaar is. Een heftig punt van discussie. Er zijn namelijk nogal wat aanwijzingen dat ons zonnestelsel met zijn planeet Aarde, als je wat preciezer gaat kijken, misschien wel eens nogal uitzonderlijk is door een toevallige samenkomst van een aantal “levensbelangrijke factoren”. Misschien was er wel extreem veel “geluk” nodig om niet alleen leven te laten ontstaan, maar ook om het te laten voortbestaan, zo lang dat zich uiteindelijk ook intelligentie en zeer recent technologische intelligentie kon openbaren.

We weten intussen dat in koude gaswolken in de kosmos allerlei moleculen worden gevormd die we ook in Aards leven tegenkomen. Zo zijn alle bouwstenen van DNA en RNA, A, C, T, G en U aangetroffen. Verder meer dan 80 aminozuren, waarvan er 22 dienen als bouwstenen van de eiwitten die op de Aarde voorkomen. Aangenomen mag worden dat ze ook in de zonnenevel voorkwamen waaruit ons zonnestelsel is ontstaan. Ze kunnen vervolgens "bezorgd" zijn door ruimtepuin dat achterbleef na de vorming van de zon en haar planeten, nadat de planeten, lees Aarde, voldoende waren afgekoeld. T. (Credit: NASA Goddard/CI Lab/Dan Gallagher)

Maar waar zijn “ze” dan?

Na het identificeren van een toenemend aantal exoplaneten, groeide de overtuiging snel dat onze Melkweg en dus het Universum wel moest wemelen van het leven. Sinds de jaren zestig luisteren we met grote radiotelescopen (het SETI-programma) het heelal af naar radiosignalen die het bestaan van buitenaardse intelligentie zouden kunnen verraden. Tot nu toe zonder enig resultaat. Er zijn ook nog geen andersoortige sporen aangetroffen. Denk aan archeologische vondsten op Aarde die op een eerder buitenaards bezoek zouden kunnen wijzen. Erich von Däniken zal het hier overigens niet mee eens zijn. Hij publiceerde in 1968 zijn wereldwijde bestseller “Waren de Goden Kosmonauten?” Erich von Däniken kreeg veel aanhangers, maar hij wordt toch beschouwd als een pseudowetenschapper en door de officiële wetenschap niet serieus genomen.

Ja, als we binnenkort het definitieve bericht krijgen dat sommige UFO-waarnemingen direct verband houden met de aanwezigheid van buitenaardse intelligenties (al dan niet in de vorm van intelligente automaten), dan is het pleit beslecht, zal ons wereldbeeld en mensbeeld definitief veranderen en zal ons bestaan nooit meer het zelfde zijn. Naar mijn idee hangt het een beetje in de lucht (om maar eens een onhandige beeldspraak te gebruiken).

 

Maar voorlopig staat de Fermi Paradox nog fier overeind. Het antwoord op de vraag: “Waar zijn ze?”, moet nog steeds luiden: “geen idee”. Laten we tegelijk realistisch zijn, de serieuze speurtocht naar buitenaards leven is nog maar net begonnen. We hebben net even bij de buren door de heg gegluurd. En al veel gezien, maar voorlopig toch nog maar een te verwaarlozen glimp. Als er ergens geduld nodig is, dan is het wel op dit terrein.

 

Buitenaards leven in onze directe omgeving

Het zou natuurlijk al opwindend genoeg zijn als we in ons eigen planetenstelsel buiten de Aarde op zusterplaneten sporen van leven zouden aantreffen. Dan staat immers vast dat het ontstaan en voorkomen van leven geen exclusief Aards fenomeen is. En als er twee schapen over de dam zijn gekomen dan kunnen het er ook zomaar drie of driehonderd zijn.


Het zou misschien nog verrassender zijn als we zouden ontdekken dat op onze eigen Aarde meer dan eens leven is ontstaan. Het lijkt er niet op. We kunnen tegenwoordig het DNA van een levensvorm analyseren. Daaruit blijkt dat al het bekende leven op Aarde een gemeenschappelijke oorsprong heeft. Dat zou dus een aanwijzing kunnen zijn dat het ontstaan van leven, op onze Aarde relatief snel, toch een behoorlijk uniek fenomeen is. Het kan ook zijn dat het reeds aanwezige leven op een of andere manier een tweede “schepping” onmogelijk heeft gemaakt of snel heeft geëlimineerd. Ook dit idee, dat ik de meeste Fermi-studies maar zelden tegen ben gekomen, lijkt mij een relevant stukje van de grote puzzel.


Bij het zoeken naar buitenaards leven, mikt men tot nu toe vooral op exoplaneten die lijken op onze Aarde. Hier is het immers “gelukt”. Dat betekent in grote lijnen planeten met een harde korst op een afstand tot hun moederster die het voorkomen van water in vloeibare vorm mogelijk maakt. Niet te koud, niet te heet.


We hebben intussen ook geleerd dat lang niet alle stertypes geschikt zijn voor levensvatbare planeten. Driekwart van alle sterren in onze Melkweg zijn zogenoemde rode dwergen. Ze zijn klein en koel (en kunnen extreem oud worden). Hun planeten draaien dichtbij en snel (dagen, weken) om hun moederster en worden blootgesteld aan zware en dodelijke steruitbarstingen. Ook reuzensterren vallen af. Ze leven simpelweg niet lang genoeg. Veel sterren zijn dubbelsterren. Dat levert instabiele en/of chaotische planeetbewegingen op. Het ontstaan en de ontwikkeling van leven is zeer gebaat bij condities die miljarden jaren lang stabiel blijven. Laat nou een ster als onze zon, een gele dwerg, daar voor zorgen! En ook de eigenschappen van de Aarde passen goed in het plaatje. Logisch, zul je zeggen, anders waren wij er niet geweest, maar toch…


Een van de belangrijkste eisen die we aan de leefbaarheid van een planeet moeten stellen is het voorkomen van vloeibaar water. Het is voor ons in ieder geval moeilijk voorstelbaar dat er iets kan leven als er geen vloeibaar water aanwezig is. Als we aan een hoogontwikkelde technologische beschaving denken worden de eisen stringenter. Zo’n beschaving zal onder water niet makkelijk ontstaan. Dus zoeken we naar rotsplaneten waarvan delen boven het water uitsteken.


Voor iedere ster is een zone aan te geven waarbinnen aan de voorwaarde van vloeibaar water is voldaan. Het hangt van het type ster af waar die leefbare zone precies ligt. Voor kleine, koele sterretjes zoals de rode dwergen, ligt die dichtbij de moederster, voor hete superreuzen ligt de zone veel verder weg. Onze zon is met een oppervlaktetemperatuur van circa 5.500 oC een gematigde stralingsbron. Bij een voorzichtige inschatting bevindt alleen de Aarde zich in de leefbare zone (Habitable Zone). Deze situatie is al meer dan vier miljard jaar aanwezig. De zon heeft naar schatting nog voor zo’n vijf miljard jaar brandstof aan boord. Maar al veel eerder, over naar schatting een miljard jaar, zal de zon gaan opzwellen zodat het leven op Aarde onmogelijk wordt. Al het water zal dan verdampen. Op kosmische schaal zou dat natuurlijk een reden zijn om Elon Musk wel serieus te nemen en op zoek te gaan naar veiliger oorden.

In het piepjonge zonnestelsel ging het er wild en weinig geordend aan toe. Alle deelnemers moesten hun vaste plek in het geheel nog vinden. Kort na haar vorming kwam de Aarde in botsing met een wat kleinere planeet (formaat Mars) die de naam Theia heeft gekregen. De gevolgen van de gigantische klap zijn mogelijk van grote invloed geweest op het ontstaan en de ontwikkeling van leven op Aarde. De botsing betekende het einde van Theia maar ook het ontstaan van onze, opmerkelijk grote Maan. Die heeft er voor gezorgd dat stand van de aardas over miljarden jaren stabiel is gebleven. Gunstig voor het leven op Aarde. Gunstig is waarschijnlijk ook geweest dat de aardas niet langer loodrecht op het baanvlak kwam te staan waardoor de Aarde haar seizoenen kreeg. Als het allemaal klopt dan is het belangrijkste effect geweest dat Theia, aanvankelijk op grotere afstand en daardoor veel ijs bevattend, een flink deel van haar watervoorraad op Aarde heeft achtergelaten. Een nieuwe hypothese om de aanwezigheid van water op Aarde te verklaren.

Broeder Mars

De eerste theoretische kandidaten voor buitenaards leven in ons zonnestelsel waren Mars en Venus, twee aardachtige planeten; dat wil zeggen, planeten met een rotsachtige korst. Intussen is wel al bekend dat beide niet erg leefbaar zijn.

 

Mars bleek erg koud en erg droog, met een zeer ijle atmosfeer en geen magnetisch veld zoals dat ons op Aarde beschermt tegen vernietigende deeltjes uit de ruimte en van de zon. Wel zijn op het oppervlak van Mars onmiskenbaar sporen van vloeibaar water gevonden. Heel lang geleden heeft Mars waarschijnlijk veel meer op de Aarde geleken. Na een miljard jaar was het om een of andere reden op Mars voorbij met de leefbaarheid. Een vroege en waarschijnlijk dodelijke klimaatcrisis.

Het leven op Aarde was er al na 500 miljoen jaar wat overigens niet betekent dat op andere planeten  leven ook zo snel zal ontstaan. Maar het kan dus wel. Dan is het dus een logische vraag of er in die eerste miljard jaar op Mars leven is ontstaan. En zo ja, of er dan fossiele sporen van zijn terug te vinden. Of dat er, heel misschien, toch nog leven voorkomt dat zich op veilige plekken (diep in de bodem waar bv. nog ijs en en water voorkomen) heeft kunnen aanpassen aan de sterk veranderde omstandigheden.


Niet helemaal ondenkbaar. We weten sinds enige tijd dat een aanzienlijk deel van het microbiologische leven op Aarde zich diep in de aardkorst ophoudt en daar dus in leven weet te blijven. Bacteriën leven niet van zonne-energie maar van chemische energie. Maar ook bacteriën zijn natuurlijk al zeer complexe levensvormen. De bacteriën die diep in de aardkorst zijn aangetroffen hebben zich qua leefritme aangepast aan de schrale omstandigheden. Mogelijk delen ze zich maar eens in de honderd of zelfs duizend jaar. Hun energie onttrekken ze onder meer aan de “verbranding” van sporen methaangas.


In veel beschouwingen wordt gewezen op de relatief korte periode van 500 miljoen jaar die nodig was om op Aarde leven te laten ontstaan. Mag je daaruit afleiden dat leven “snel” ontstaat als de omstandigheden gunstig zijn? Wat is er gebeurd in de aanloop naar een levend organisme, waarschijnlijk een eenvoudige bacterie-achtige? Wat was er voor nodig? De periode van de abiogenese, de organische chemie aan het werk op basis van basismoleculen, energiebronnen, katalysatoren en tijd. We weten intussen dat in de nevels waaruit sterren en planeten kunnen ontstaan ook allerlei biochemische moleculen gevormd worden, waaronder zelfs aminozuren, de bouwstenen van eiwitten. Die zal de Aarde hebben meegekregen, misschien vanaf haar vorming (niet zo waarschijnlijk, te heet) of aangevoerd door na de planeetvorming overgebleven kleinere zogenaamde planetoïden, die in de beginfase van het zonnestelsel in enorme aantallen aanwezig waren. Kernvraag blijft: is die 500 miljoen karakteristiek voor het ontstaan van leven op een planeet, of had het net zo goed 2 miljard jaar kunnen zijn? We hebben voorlopig natuurlijk maar één datapunt.


Sporen van leven op Mars zouden ons kunnen helpen met het geven van een antwoord op de cruciale vraag hoe waarschijnlijk het is dat er ergens elders in het heelal, in of buiten ons zonnestelsel, leven ontstaat als de omstandigheden gunstig zijn. Fossielen op Mars zouden de waarschijnlijkheid van het ontstaan leven op andere, levensvatbare planeten fundamenteel veranderen. Dat zich onder het oppervlak van Mars microbiologische leven heeft kunnen handhaven, wordt zeker niet uitgesloten. Er wordt op dit moment ijverig naar gezocht, al zou het ook al spectaculair zijn als we sporen van verdwenen leven zouden vinden.


Ideeën van Elon Musk, die waarschuwt voor ontwikkelingen die de Aarde op afzienbare termijn onleefbaar zullen maken, om een bevoorrechte groep Aardlingen over te brengen naar Mars om daar het mensdom te laten overleven, lijken daarentegen nogal bizar. Diep weggestopt in grotten om beschermd te zijn tegen meedogenloze straling uit de ruimte die op Mars niet wordt weggevangen door een magnetisch veld en een atmosfeer (met ozonlaag), lijkt geen al te prettig vooruitzicht. O, zeker, er worden intussen ook al ideeën ontwikkeld om Mars zijn atmosfeer “terug te geven” (terravorming), bijvoorbeeld door met atoombommen ijs aan de Marspolen vrij te maken. Soms moet je groot durven te denken, maar is het in alle redelijkheid niet beter om de enorme investeringen in zo’n onderneming (in theorie kan uiteraard veel) in te zetten voor het behoud van de oneindig veel passender plek om (prettig) te leven: onze Aarde?

Het gaat al weer net zoals het altijd ging

Wat we wel weer gaan doen is met mensen naar de Maan vliegen. De Maan als toekomstige springplank naar verdere bestemmingen. Het Artemisprogramma van NASA. Maar niet langer alleen van NASA zoals in de jaren zeventig. Er zijn nu ook commerciële partijen bij betrokken. Dat levert NASA geld op, maar de partners willen er ook aan verdienen. Zo voorzien de bedrijven Elysium en Celestis een lucratieve markt voor het overbrengen van crematieresten naar de Maan.

De aanstaande missie gaat een verkenner afzetten op de maan om de landingsplaats voor een komende bemande vlucht te verkennen. Maar hij neemt ook de asresten mee van een flink aantal overledenen die daar minimaal $13.000 dollar voor hebben betaald. Celestis heeft 69 individuele deelnemers, waaronder Gene Roddenberry, de bedenker van Star Trek, SF-auteur Arthur C. Clarke, en een hond met de naam Indica-Noodle Fabiano. Het verkennersvoertuig blijft met de lading urnen achter op de maan.

Dit is overigens niet het eerste menselijke DNA dat op de maan wordt gedeponeerd. Tijdens de Apollo-landingen uit de periode 1969 – 1972 zijn 100 zakken met fecaliën en urine achtergelaten.

Het is allemaal niet zo verheffend en het verbaast me dan ook niet dat echte beschavingen van elders niet zitten te wachten op contacten met Aardlingen. Ook de Navajo Nation, de grootste Amerikaanse indianenstam, heeft geprotesteerd. De Maan is in hun cultuur een heilig object. En opnieuw wordt dit hemellichaam ontheiligd.

Zuster Venus

Ook de schitterende ochtend- of avondster Venus, vaak aangeduid als onze zusterplaneet, gaat hem waarschijnlijk niet worden. De planeet heeft een bloedheet oppervlak, ca. 470 oC. Uiteraard gortdroog. En een superdichte atmosfeer, voornamelijk koolzuurgas, met aan het oppervlak een luchtdruk van ca. 92 atmosfeer! Dat wil zeggen, de druk die bij ons heerst in de oceaan op een diepte van 920 meter!


De tijd van heerlijke onwetendheid, waarin de fantast George Adamski zelfs onze koningin Juliana in de jaren vijftig nieuwsgierig wist te maken met zijn verhalen over contacten met wonderschone Venusianen, ligt intussen echt ver achter ons. Toch zijn er aanwijzingen dat er ook op Venus, heel lang geleden, sprake is geweest van een ruime aanwezigheid van vloeibaar water. Ook Venus is op een zeker moment getroffen door een verwoestende klimaatcrisis. Een onomkeerbare toename van koolzuurgas in de atmosfeer met een vernietigend broeikaseffect als gevolg. Recent doken er speculaties op dat er misschien hoog in de atmosfeer van Venus leven mogelijk is.


Op het kale en koude oppervlak van Mars kunnen we met onze robotverkenners nog rondneuzen, op Venus wordt het allemaal veel moeilijker. De Russen hebben er van 1961 t/m 1983 verkenners naar toe gestuurd. De eerste serie Venera’s bleken nauwelijks bestand tegen de “extreme werkomstandigheden”. De latere, zwaardere versies hielden het een uur of twee uit. Een van de hoogtepunten van het Venera-programma waren de foto’s van het Venusoppervlak die de Venera 9 in 1975 naar de Aarde stuurde. Een primeur. En in één klap ook het einde van de paradijselijke voorstellingen van Venus uit de SF-pulpstrips.


Het heelal is niet echt een Tuin van Eden. Er moeten veel “schakelaartjes” net goed staan afgesteld om leven mogelijk te maken en vast te houden.


De analyse van de historische ontwikkeling van een planeet als Venus komt tegenwoordig vaak uit computersimulaties. Men start met een veronderstelde beginsituatie en laat het systeem zich dan, in de computer, ontwikkelen volgens bepaalde wetmatigheden. Een complexe opgave met een hoofdrol voor geologische en geofysische processen. In een zeer recent onderzoek startte men met een oceaan op Venus en met een veel dunnere atmosfeer en veel lagere oppervlaktetemperatuur. Na extreem veel gereken komt er dan een toestand uit voor de planeet van nu. Zo worden tienduizenden simulaties uitgevoerd met telkens een iets andere begintoestand. Vervolgens selecteert men de simulaties die in de buurt komen van de toestand waarin Venus op dit moment echt verkeert. De uitkomst van dit specifieke simulatieprogramma is, met alle onzekerheden, dat Venus al drie miljard geleden zijn oceanen is verloren.


Men neemt algemeen aan dat het stoppen of ontbreken van platentektoniek, dat wil zeggen het verschuiven van stukken planeetkorst, een belangrijke rol heeft gespeeld. De schollen die in de taai-vloeibare mantel drijven, begraven op Aarde grote hoeveelheden door vulkanisme uitgebraakt en in het water chemisch gebonden koolzuurgas. Het gas wordt in de vorm van carbonaten (zoals kalk) in oceanen vastgelegd. Als de aardschollen op elkaar stuiten worden de carbonaten voor een deel in de mantel van de planeet begraven. Dit mechanisme is voor Venus lang geleden gestopt, als het al ooit aanwezig was. Daarna kon de koolzuurconcentratie ongehinderd oplopen en voor een extreem broeikaseffect zorgen. Weg leven, als dat er ooit is geweest.


Het leven op Aarde is relatief snel na het ontstaan van de planeet ontstaan. Men schat zo’n 500 miljoen jaar na het stollen van de buitenste laag (korst) van onze planeet. Als dat een indicatie is voor de ontwikkelingen op andere planeten, dan zou dat voor Venus betekenen dat daar ook (eencellig) leven kan zijn ontstaan. Het is er nu zeker niet meer. En zo zijn onze beide buurplaneten, Mars en Venus, op enig moment het vermogen verloren om leven in stand te houden, als het er ooit al was. Overigens, we hebben het eerder opgemerkt, is het helemaal de vraag of de Aarde als voorbeeld kan dienen voor de snelheid waarmee op een aardachtige planeet leven zal ontstaan. Ook bacterieel leven (prokaryoten) is al zeer complex. Abiotische toevalsprocessen zullen allerlei uitkomsten opleveren.

Op Aarde verliep het relatief snel, elders zal het misschien veel langer duren, en ook de mogelijkheid dat zelfs vier miljard jaar niet voldoende is om tot een vorm van leven te komen zal dan voorkomen. Hoe de waarschijnlijkheden verdeeld zijn weten we niet. We hebben maar één geval, één datapunt, onze Aarde. Een statistisch gezien extreem wankele basis. Op grond daarvan besluiten dat het heelal, gezien de enorme aantallen planeten, wel moet zinderen van het leven, lijkt dan ook wat voorbarig. Geduld en veel nieuwe data moeten ons verder helpen. Voorlopig heeft zich nog geen geval 2 aangediend.

Supersignalen

Ook een recent afgesloten, zeer ambitieuze poging in het kader van het Breakthrough Listen Programme van de SETI-organisatie, waarin met radiotelescopen signalen van het centrale deel van onze melkweg en van circa 100 naburige melkwegstelsels zijn geanalyseerd, heeft vooralsnog geen opmerkelijke resultaten opgeleverd. Daarbij moeten we wel aantekenen dat de verkenning van de naburige melkwegstelsels gericht was op het voorkomen van zogenoemde Kardashev II beschavingen. Superbeschavingen die gekenmerkt worden door het vermogen de totale energie-output van een moederster te kunnen benutten (bijvoorbeeld door toepassing van een zogenaamde Dyson-Sphere). Een nogal extreem en volstrekt denkbeeldig voorbeeld van buitenaardse intelligentie, maar wel van een zodanige omvang van de gehanteerde technologie dat deze vanuit een naburig melkwegstelsel opgemerkt zou kunnen worden. Het is tegelijk een voorbeeld van de (on)mogelijkheden om iets verstandigs te zeggen over de situatie in andere melkwegstelsels. We zullen het voorlopig toch wat dichterbij moeten zoeken. En dat is al ver genoeg weg.


De Russische astronoom Kardashev kwam in 1964 met een opmerkelijke visie op hoogontwikkelde buitenaardse beschavingen. Hij onderscheidde drie types, waarbij uitging van een extrapolatie van de situatie op Aarde en op de overweging dat het in de aard van de evolutie zit dat we te maken hebben met exponentiële groei (zoals ook de Club van Rome deed). Groei die gebaseerd is op de beschikbaarheid van hoogwaardige energie:

  • Type 1. Een beschaving die alle beschikbare energie van zijn planeet weet te benutten. Wij zitten daar nog niet maar naderen.
  • Type 2. Een beschaving die de totale energieproductie van zijn moederster weet te benutten door gebruik te maken van een zogenoemde Dyson Sphere, een constructie rond de ster die alle straling afvangt.
  • Type 3. Nu wordt het echt kolossaal. Dit type beschaving is in staat de energieproductie van zijn hele melkweg te benutten, dus ook van alle onderdelen zoals sterren en zwarte gaten.

De drie door de Russische astronoom Kardashev onderscheiden superbeschavingen. Type 1 is zover dat alle energie van een planeet kan worden benut, bij type 2 kan de energie van de moederster worden benut (met een Dyson Sphere, zie hieronder), en bij type 3 staat de energie-productie van een hele melkweg ter beschikking. De getallen geven de energieproductie in watt. 

Artist Impression van een door de fysicus Freeman Dyson ontwikkeld idee om de volledige energieproductie van een ster te kunnen benutten, de zogenoemde Dyson Sphere. Een denkbeeldige Kardashev-2 beschaving zou hiertoe in staat zijn. In het recent afgesloten Breakthrough Listen project (SETI) heeft men in een groep van circa 100 melkwegstelsels naar signalen gezocht die op de toepassing van de Dyson Sphere zouden kunnen wijzen.

Nieuwe, onverwachte kandidaten

In ons eigen zonnestelsel is Mars als huidige drager van leven vrijwel afgevallen en hetzelfde geldt voor Venus. Maar er zijn ook enkele nieuwe, onverwachte kandidaten opgedoken. Helaas wat verder van ons verwijderd en daarom minder makkelijk te verkennen. Het betreft enkele manen van Jupiter en Saturnus. Onverwachte kandidaten omdat ze in een deel van ons zonnestelsel voorkomen waar extreme koude heerst, dus ver buiten de Leefbare Zone. Water komt er in principe alleen in de vorm van ijs voor. Dat ze toch op ons lijstje staan heeft te maken met het feit dat deze manen door wisselwerking met hun moederplaneten in staat zijn om door getijdenwerking zoveel warmte te ontwikkelen dat het bestaan van vloeibaar water mogelijk wordt. 


Oceanen onder een dikke ijskorst komen in ons zonnestelsel duidelijk meer voor dat een open oceaan aan het oppervlak, zoals op Aarde.


Meest veelbelovend lijken op dit moment de Jupitermaan Europa (een van de 90 manen van Jupiter) en de Saturnusmaan Enceladus (een van de 83 manen van Saturnus). De kleine maan Enceladus is bedekt met een ijskorst van zo’n 100 km dik. Daaronder bevindt zich een oceaan die vloeibaar wordt gehouden door de wrijvingsenergie die vrijkomt door de sterke getijdenwerking die Saturnus op zijn maan uitoefent. Men vermoedt op de grenslaag tussen de oceaan en de hete maankern de aanwezigheid van hydrothermale bronnen vergelijkbaar met de black smokers die op de breukgordels in onze eigen oceanen voorkomen. Hete vulkanische bronnen waar bacteriën hun energie aan ontlenen (oxydatie van zwavelwaterstof). Tegenwoordig steeds vaker genoemd als de mogelijke plek waar het leven op Aarde kan zijn ontstaan. Dus niet in oppervlaktewater maar op de bodem van de oceanen.


Door breuken in de ijskorst van Enceladus spuiten geysers omhoog. De ruimteverkenner Cassini is er zo’n tien jaar geleden een aantal keren langs gevlogen en heeft vastgesteld dat er behalve water ook methaan in de fonteinen voorkomt. Een stof die op Aarde een sterk signaal is voor microbiologische activiteit. Er wordt gewerkt aan nieuwe verkenners om deze bijzondere hemellichamen nader te inspecteren. Het is nog niet zeker of er ook fosfor in de oceaan voorkomt. Zonder fosfor geen (aardlijk) leven.


Al met al geeft het aan dat de criteria voor het zoeken naar leven op exoplaneten niet al te beperkt moeten worden toegepast. Ook buiten de Leefbare Zone zijn er blijkbaar mogelijkheden. Er worden in dit onderzoeksgebied zeer regelmatig nieuwe verrassingen gemeld. Als er in een dergelijke omgeving, met naar onze maatstaven nogal extreme omstandigheden, leven voorkomt dan moeten we niet gelijk denken aan complex leven. En zeker niet aan intelligent leven dat technisch ontwikkeld is. Een milieu met uitsluitend water lijkt weinig mogelijkheden te bieden voor het ontwikkelen van technische vaardigheden. Ook hier lijkt het voorbeeld van onze Aarde belangrijk: een combinatie van water en land.

Enceladus is een maan van de planeet Saturnus. Ondanks het het feit dat Saturnus en zijn manen in het ijskoude deel van ons zonnelsel verkeren en we eerder een dikke laag ijs zouden verwachten, wordt deze maan, zoals ook enkele andere manen van Jupiter en Saturnus, omringd door een diepe oceaan. Wat ijs zou moeten zijn is vloeibaar gebleven. De oorzaak is warmte die vrijkomt door wrijving die onstaat door de getijden (te vergelijken met onze eb en vloed) die worden opgewekt door sterke zwaartekrachteffecten van Saturnus op zijn maan. De oceaan wordt afgedekt door een dikke laag ijs. Scheuren in de ijslaag zorgen voor geysers die aan het oppervlak zijn waargenomen. Deze configuratie zou wel eens geschikt geweest kunnen zijn voor het ontstaan van leven. In de komende jaren zullen verkenners worden uitgestuurd om Enceladus beter te leren kennen en vooral ook de samenstelling van de damppluimen.

Overal sterren, planeten, manen en meer

We hebben hiervoor enkele interessante hemellichamen uit ons eigen zonnestelsel de revue laten passeren. We gaan onze blik nu nog wat meer verruimen.


Dat er aan de hemel vreemde objecten voorkomen die zich tussen de “vaste sterren” verplaatsen, is al heel lang bekend. Het gedrag van deze “dwaalsterren”, we noemen ze nu planeten, werd pas begrijpelijk toen in de 17de eeuw de zon de plaats van de Aarde overnam als (stralend) middelpunt van het planetenstelsel. Een deel van de planeten, waaronder Mars en Venus, was al heel lang bekend. Wat later werden er ook nieuw ontdekte planeten aan toegevoegd. Gerekend vanaf de zon kennen we nu de volgende planeten: Mercurius, Venus, Aarde en Mars, alle hemellichamen met een rotsachtige korst, vervolgens de grote gasplaneten Jupiter en Saturnus en nog verder weg de middelgrote ijsplaneten Uranus en Neptunus. De buitenste planeet was lange tijd Pluto, maar die is onlangs gedegradeerd en moet nu als dwergplaneet door het leven. Er lopen al heel lang discussies over een tot nu toe niet gedetecteerde grote planeet op een nog veel grotere afstand van de zon: Planeet 9.


Naast planeten kent het zonnestelsel ook gordels waarin grote hoeveelheden kleinere objecten rond de zon draaien. Het zijn “restanten” uit de periode van de planeetvorming. Niet meer samengevoegd en voor een klein deel uit de greep van vooral de grote planeten Jupiter en Saturnus gebleven.

Tussen Mars en Jupiter bevindt zich de asteroïdengordel. Grillig gevormde objecten die we tegenwoordig planetoïden noemen, soms ijsachtig, soms steenachtig of met veel ijzer en nikkel. Veel klein spul, de grootste met een diameter tot 500 km. De metaalrijke zouden misschien ooit geëxploiteerd kunnen worden.

Een veel omvangrijker bestand bevindt zich in de zogenoemde Kuipergordel die zich uitstrekt tot ver voorbij de buitenplaneten. En dan zijn we er nog niet. Nog weer veel verder weg, mogelijk tot halverwege de dichtstbijzijnde ster, Alpha Centauri op 4,2 lichtjaar, bevindt zich een enorme, bolvormige schil met misschien wel een miljard ijsachtige objecten, de zogenoemde Oortwolk (genoemd naar de befaamde Leidse astronoom Jan Hendrik Oort).

Een enkele keer wordt de rondgang van zo’n Oort-object gestoord door een groot hemellichaam, een nabije ster of een verre planeet(?). Dan kan het gebeuren dat zo’n ijsklomp uit zijn bestaande, verre baan om de zon worden gestoten en koers zet richting de zon. In de buurt van de zon ontwikkelt zich dan een staart en verschijnen er berichten dat er weer een komeet te bewonderen valt. Ook de meer nabije Kuipergordel is waarschijnlijk een bron van kometen. Ze hebben omlooptijden in de orde van honderd jaar. De kometen uit de Oortwolk hebben een omlooptijd die moet worden uitgedrukt in duizenden jaren.

 

De vier binnenplaneten (Mercurius, Venus, Aarde en Mars) vormden zich zo dicht bij de zon dat ze tijdens hun vorming uit nevelmateriaal, en wat later ook door fusie van grotere objecten (de zogenoemde planetesimalen) niet in staat waren vluchtige stoffen vast te houden. Ze bestaan dan ook uit materialen met een hoge smelttemperatuur zoals metalen (ijzer, nikkel, aluminium en sporen van andere metalen) en siliciumverbindingen (silicaten). Omdat al deze elementen in het universum en dus ook in de zonnenevel relatief zeldzaam waren, bleven de binnenplaneten klein. Verder naar buiten, voorbij de zogenoemde vorstgrens, waren de omstandigheden voor massatoename (lagere temperaturen) gunstiger en konden de jonge planeten snel in massa toenemen doordat ze water en methaan in de vorm van ijs konden vasthouden. Daarmee groeide hun aantrekkingskracht zodat ze ook de uitbundig in de zonnenevel aanwezige maar zeer vluchtige gassen als waterstof en helium (samen 98% van de atomen in het heelal, zuurstof staat op plaats drie) met hun grote zwaartekracht wisten te binden.


Water

De kometen bestaan voor het grootste deel uit ijs. Misschien een verrassing maar water is zeker geen zeldzaamheid in het universum. Eigenlijk wel logisch als je bedenkt dat de atomaire bestanddelen van water, waterstof en zuurstof, tot de meest voorkomende elementen in het heelal behoren. Water dat bijna altijd in de vorm van ijs voorkomt, de wereldruimte is vooral ijzig koud, soms als damp, in de buurt van sterren, en in bijzondere gevallen als vloeibaar water, in planetenstelsels.


Een belangrijke vraag is hoe de Aarde, en de andere genoemde leden van het zonnestel, aan dat water gekomen zijn. Die vraag is nog niet echt opgehelderd. In de zonnenevel waaruit de planeten ontstonden, moet veel water hebben gezeten. Het idee was lange tijd dat de jonge, hete Aarde aanvankelijk de watervoorraad waarmee hij was geboren, is kwijtgeraakt door verdamping. In de volgende fase zou er, nadat de Aarde was afgekoeld, door kometen en asteroïden nieuw water aangevoerd zijn (bombardement). De kinderjaren van het zonnestelsel waren chaotisch, heftig en gewelddadig. We noemden hiervoor al de catastrofale "aanvaring" met de jonge planeet Theia.


Recent zijn er nieuwe aanwijzingen gekomen dat ook de hete jonge Aarde veel water in chemisch gebonden vorm zou hebben kunnen vasthouden. Daarmee zouden er dus twee belangrijke waterbronnen geweest kunnen zijn die voor het voor het ontstaan van leven onmisbare water hebben gezorgd. En er is zelfs een derde optie aan toegevoegd. De planeet Theia kwam (na een baastoring) vanuit het verre, koude deel van het zonnestelsel in het binnengebied waar de Aarde was gevormd. Zoals nog steeds komt er op de hemellichamen verder weg in het Zonnestelsel veel ijs voor. Theia zou dit meegebracht hebben en na de botsing voor een deel op de Aarde achtergelaten hebben.  

 

Vreemde boodschappers

Sinds kort weten we dat er soms ook objecten van buiten ons zonnestelsel langs komen. Ze flitsen langs de zon, buigen af en verlaten het zonnestelsel weer. Oumuamua was 19 oktober 2017 het eerste object waarvan kon worden vastgesteld dat het niet uit ons zonnestelsel kwam. Het moest afkomstig zijn van een planetenstelsel rond een andere ster. Een interstellaire reiziger. Het werd door het observatorium van Hawaii waargenomen en kreeg op grond van een baananalyse het stempel “interstellair". Een vluchtige en vreemde “gast” die veel opwinding veroorzaakte. Sommige astronomen suggereerden zelfs dat het wel eens een ruimtevaartuig geweest zou kunnen zijn. Niet erg waarschijnlijk volgens de grote meerderheid van de experts. In augustus 2019 diende de volgende interstellaire komeet zich aan: 2I/Borisov.


Deze interstellaire kometen, afkomstig van andere planetenstelsels, kunnen ons in principe veel leren over de omstandigheden van het planetenstelsel waarin ze zijn gevormd. Bij een andere moederster dus.

 

Leven bij andere sterren

Leven buiten ons zonnestelsel, het werd lang voor mogelijk gehouden, maar er was aanvankelijk geen spatje bewijs voor. Dat beeld is de laatste decennia drastisch gewijzigd. Er is nog steeds geen spoor van gevonden, maar het toneel is radicaal veranderd. Met nieuwe, geavanceerde waarnemingstechnieken, veelal vanuit de ruimte opererend, zijn intussen (status 18 december 2023) 5.557 exoplaneten opgespoord. Ruim 10.000 kandidaten wachten op een bevestigende volgende waarneming.

De meeste exoplaneten worden ontdekt m.b.v. de zogenoemde transitietechniek. Als een planeet, vanaf de Aarde gezien, bij zijn omloop voor de schijf van zijn moederster langs beweegt, wordt een beetje sterrenlicht tegengehouden. In de gemeten helderheid van de ster leidt dat tot een dip in de lichtcurve. Uit de vorm van de dip kunnen eigenschappen van de planeet worden afgeleid. Er zijn tegenwoordig een meer technieken om de planeet en zijn eigenschappen te bepalen.

Een enkele keer is het mogelijk om een exoplaneet direct waar te nemen. In bijna alle gevallen maakt men echter gebruik van indirecte methoden. Daarbij wordt de invloed van de planeet op zijn moederster benut. Zo kun je de verandering in de helderheid van de moederster meten als er een planeet, gezien vanaf de Aarde (of vanuit de positie van een waarnemingssatelliet), voor zijn moederster langs beweegt en daaruit de omloopsnelheid en de baanlengte en ook de omvang van de planeet afleiden. Als je ook de “wiebel” van de moederster kunt meten als gevolg van de wederzijdse aantrekkingskracht van moederster en planeet (door benutting van het zogenoemde dopplereffect) is het mogelijk de massa van de planeet te bepalen. In combinatie met de omvang (volume) van de planeet levert dat de soortelijke massa op. De laatste grootheid is een indicatie voor de samenstelling van de planeet. Men kan er bijvoorbeeld uit afleiden of er veel water op zo’n planeet voorkomt.

Er is intussen een heel palet aan ‘trucs’ om meer te weten te komen over exoplaneten, zoals de massa, omvang, de omloopbaan en een mogelijke positie in de leefbare zone van de planeet. Maar hoe kom je te weten of er leven is op zo’n verre planeet? Het meest kansrijk is na te gaan of er in de atmosfeer van de exoplaneet stoffen voorkomen die wijzen op biologische processen (te onderscheiden van geologische en chemische processen).


Als een exoplaneet langs zijn moederster beweegt is het soms mogelijk om iets te weten te komen over het bestaan en de samenstelling van zijn atmosfeer. Een fractie van het licht van de moederster scheert dan immers langs de exoplaneet door diens atmosfeer. Afhankelijk van de aard van de daarin voorkomende gasdeeltjes zal er bij specifieke frequenties licht van de moederster worden geabsorbeerd. Analyse van het spectrum van het op Aarde ontvangen licht kan dan informatie opleveren over de samenstelling van de atmosfeer van de exoplaneet. Het gaat om extreem kleine effecten en er worden dan ook zeer hoge eisen gesteld aan de precisie en de gevoeligheid van de waarnemingsapparatuur. En geduld. De signalen zijn zo zwak dat de waarneming vaak herhaald moet worden, zodat het signaal boven de ruis uit kan stijgen. Een probleem is dat de betreffende planeet elke keer weer een rondje maakt. Wie vanuit een exoplaneet de aarde op de korrel zou hebben, moet dus elke keer een jaar wachten voor er weer een effect te meten is. Als je minstens tien metingen moet doen voor een betrouwbaar signaal, ben je dus tien jaar verder. Maar ja, in een ruimte waarin je eerder in miljoenen jaren moet tellen dan in eeuwen, is geduld een schone zaak.

 

De grote meerderheid van de sterren wordt gevormd door kleine en koele rode dwergen waar planeten heel dicht omheen draaien. Vaak met omlooptijden in de orde van dagen tot weken. Dat schiet op. Helaas begint duidelijk te worden dat deze kleine sterretjes nauwelijks geschikt zijn om op hun planeten levenskansen te creëren.


Ondanks de bovengenoemde beperking is er op dit moment veel belangstelling voor de exoplaneet K2 – 18b. De moederster is de rode dwerg K2-18. De moederster staat op 124 lichtjaar afstand van de zon en bevindt zich in het sterrenbeeld Leeuw. De massa van de exoplaneet is ongeveer acht keer de massa van de aarde en hij wordt daarom geclassificeerd als een superAarde, maar is eerder een mini-Neptunus. Hij draait in 33 dagen rond zijn ster. Met behulp van de James Webb Space Telescope is zijn atmosfeer geanalyseerd.

Hoofdbestanddelen zijn waterstof en helium, niet verrassend, en verder onder meer methaan en dimethylsulfide (DMS). Methaan is een potentiële indicator voor bacterieel leven, maar niet perse, DMS is nog opwindender omdat het op Aarde alleen maar voorkomt als reactieproduct van bacteriën en plankton. Helaas is voor de aanvankelijke claim dat we hier te maken hebben met een door water omgeven planeet nauwelijks rechtvaardiging en is het DMS-signaal, dat goed zou aansluiten bij een oceaanplaneet, zeer zwak en zeker niet betrouwbaar. “Extraordinary claims require extraordinary evidence”, hield Carl Sagan ons voor en dat geldt dus zeker ook voor K2 – 18b.

 

Buitenaards leven voorlopig nog uit zicht.

Terug naar Fermi.

We staan nog maar aan het begin van onze fascinerende queeste. De kleine man op de drempel van de onpeilbaar grote ruimte. En de Fermi Paradox heeft nog weinig aan betekenis verloren. In tegendeel. Zou het toch niet zo kunnen zijn dat leven, en meer nog complex en intelligent leven, inderdaad extreem zeldzaam is? Dat de Aarde misschien zelfs wel eens de enige plek in de Melkweg, of misschien wel in het hele Universum kan zijn, waar intelligente wezens tot wasdom zijn gekomen?

 

De Fermi Paradox: Food for Thought

We zijn intussen ruim 70 jaar aan het piekeren over die prikkelende opmerking van Enrico Fermi. Je zou kunnen zeggen dat hij een vuurtje heeft aangestoken waar nog altijd nieuwe brandstof op wordt gegooid. Fermi heeft ons, waarschijnlijk onbedoeld, uitgedaagd om na te denken over onze mogelijke positie in het universum en daar zijn boeiende en belangwekkende beschouwingen en redeneringen uit voortgekomen. De lijst met oplossingen groeit nog steeds. Ze hebben ons geprikkeld en er zijn onderzoeklijnen uit voortgekomen. In 2015 verscheen een boek van Stephen Webb met 75 oplossingen voor de Paradox.Er zijn enkele hoofdlijnen aan te geven in de antwoorden die in de loop van de tijd gegeven zijn op de vraag: “Waar zijn ze?”


Buitenaardse, technologisch hoogontwikkelde beschavingen bestaan niet of zijn hoogst zeldzaam.

De Rare Earth Hypothesis. We zien geen (sporen van) buitenaardse, technisch hoogontwikkelde beschavingen omdat ze er gewoon niet zijn, of op zijn minst hoogst zeldzaam. De evolutie van losse koolstofverbindingen (prebiotische fase) naar leven dat tot interstellair contact in staat is, moet zoveel “filters” of “bottle necks” passeren dat de kans op succes extreem klein is. En het begint al bij de eigenschappen van het planetenstelsel en de betrokken planeet. Ook daarvoor gelden zware voorwaarden, waaronder een “milieu” dat over miljarden jaren stabiel is. Er zijn ook meer gedetailleerde verklaringen, waarin aparte filters worden verondersteld.


Ze bestaan wel maar we “horen en zien” ze niet.

    Communicatiebeperkingen. Er kunnen aanzienlijke barrières bestaan voor interstellaire communicatie. Enorme afstanden leiden zullen signalen sterk verzwakken. Het is ook zeer goed denkbaar dat technologisch hoogontwikkelde beschavingen maar relatief kort bestaan. Denk aan de problemen waar we zelf op Aarde tegenaan lopen. Vernietiging door oorlog, door milieurampen, ecologische ravage en klimaatverandering, door pandemieën, door psychologische ontreddering. Als dergelijke beschavingen kort leven is de kans aanzienlijk dat ze elkaar communicatief “mislopen”. En is het ook nog denkbaar dat ze communicatiemiddelen gebruiken die wij niet kunnen detecteren. Denk aan neutrino-communicatie en quantumcommunicatie.


    Als er een beperkt aantal hoogontwikkelde beschavingen bestaat is het nog helemaal de vraag of ze wel behoefte aan contact hebben. Hier speelt de “Dark Forest Hypothesis”. Als beschavingen tot de conclusie komen dat elke andere hoogontwikkelde beschaving een potentiële bedreiging/concurrent is omdat je er niet vanuit kunt gaan dat die dat niet is, kan men besluiten om “stil te blijven”. Denk aan de situatie op onze Aarde: een geschiedenis van imperia die steeds weer klaar stonden om een vorig, verzwakkend, of een opkomend imperium uit te schakelen. Soms bij wijze van een “pre-emptive strike”, toeslaan als de opkomende macht nog niet zijn volle sterkte heeft bereikt. Zomaar rondtoeteren dat wij ook meedoen kan dus risico’s opleveren. Want er wordt wel geluisterd, maar niet geantwoord.

     

    Ze zijn er wel, maar ze zijn niet, of nog niet in de Aarde geïnteresseerd.

    - We kunnen er niet zomaar vanuit gaan dat andere beschavingen behoefte hebben aan dominantie en kolonisatie. Een beschavingen die zichzelf genoeg is, mogelijk extreem oud, zowel qua beschaving als qua leeftijd van de inwoners, kan in een stabiele toestand verkeren wat betreft levensvoorwaarden (geen groei) en op een zeer hoog spiritueel niveau functioneren. Dat kan ook nog in de variant van een samenleving waarin biologische wezens zijn vervangen door wezens die vanuit de techniek zijn ontstaan (robotica, intelligente automaten).


    - Beschavingen die op verkenning gaan zullen hun middelen verstandig willen inzetten. Het kan zijn dat ze de Aarde links laten liggen en kiezen voor interessantere of minder gevaarlijke planeten.


    - Weer een andere insteek levert de Zoo Hypothesis Er bestaan buitenaardse beschavingen, die ons wel degelijk in de gaten houden, maar ze doen dat op zodanige manier dat het voor ons onbekend blijft. De Aarde als een dierentuin met onzichtbare bezoekers. De Aarde in quarantaine, misschien om ons zo vrij mogelijk naar onze eigen aard verder te laten ontwikkelen totdat we rijp zijn voor het lidmaatschap van “de Grote Club”. Dit idee lijkt wat minder sterk. Als er relatief veel buitenaardse beschavingen bestaan, moeten ze onderling goeie afspraken maken over een gemeenschappelijke omgang met de planeet Aarde.


    - Ze zijn er wel maar we zien ze niet. De astronoom Seth Shostak, betrokken bij het SETI-programma en al tientallen jaren nadenkend over Fermi’s Paradox, is van mening dat het niet alleen een kwestie van tijd en afstand, maar dat ook herkenning een rol speelt. “Maybe we are not alone and have not been. The click beetles in my backyard don’t notice that they’re surrounded by intelligent beings — namely my neighbours and me,” Shostak said, “but we’re here, nonetheless.”


    Conclusie

    Kunnen we nu iets concluderen? Misschien heel voorzichtig. Mij lijkt dat leven in algemene zin veel zal voorkomen. Maar dan vooral eenvoudig leven. Eencellig. Op Aarde was het er relatief snel. Daarna kostte het zeker 3 miljard jaar voor zich intelligent leven aandiende. En als we dan nog een stap verder gaan dan is het mijn overtuiging dat intelligent leven dat het stadium van een hoogontwikkelde, technologische beschaving heeft bereikt, uitermate zeldzaam zal zijn. Maar ik voeg daar gelijk aan toe dat het zomaar kan gebeuren dat ik op korte termijn van dit standpunt moet afstappen. We zijn nog maar zo kort bezig en we weten nog maar zo weinig….

     

    Verantwoording

    Als eenvoudige rapporteur kost het me geen moeite om te bekennen dat niets in het bovenstaande berust op een actieve betrokkenheid van ondergetekende. Alleen voor de, ongetwijfeld gebrekkige selectie, de compositie en de terloopse opmerkingen ben ik direct verantwoordelijk. Ik heb een aantal bronnen gebruikt, in het bijzonder Wikipedia. Op YouTube zijn prachtige voordrachten te vinden als je op Fermi Paradox laat zoeken.


    Gerard van de Schootbrugge

    14 januari 2024