Het Laatste Avondmaal

Kort verhaal, 30 oktober 2012

Het laatste avondmaal



“Gevangene RIP0274 over 24 uur zal uw doodvonnis ten uitvoer worden gebracht. Als directeur van deze gevangenis heb ik de plicht u mee te delen dat u nog een laatste wens mag doen.”


Sjoerd Bolkamp doet geen moeite om overeind te komen. Liggend op zijn brits, handen achter zijn hoofd, kijkt hij op naar de man die zo juist zijn cel is binnengekomen. Hij is opvallend klein vergeleken met alles wat hier verder aan spierbundels rondloopt zoals de bewaker schuin achter hem die hoog boven hem uittorent.


Naast de directeur staat een jongeman met een gezichtsuitdrukking die nogal afwijkt van het dagelijkse beeld in dit oord van hel en verdoemenis. Geen spoor van walging of haat, maar vriendelijk. Sjoerd heeft hem eerder gezien, kort nadat hij hier twee dagen geleden was binnengebracht. Het is een geestelijk verzorger. Zonder twijfel de man met de meest hopeloze opgave van iedereen die in deze vuilstortplaats een taak te vervullen heeft.


Ze hadden even met elkaar gesproken. Sjoerd had hem duidelijk gemaakt dat hij geen behoefte had aan geestelijke bijstand. ‘Overdag een man, ’s avonds een man.’ De woorden waarmee zijn vader hem vroeger zijn bed uitschopte als hij jammerde over een kater.


De stelling van zijn vader had hij in de loop van de tijd flink opgerekt. Nu zijn laatste uren waren geteld, klonk het als: leven als een beest? Dan ook niet piepen als je sterft als een beest. Geen geestelijke bijstand dus. Geen hogere machten, geen biecht, geen vergiffenis. Gewoon gaan, zoals anderen door zijn toedoen waren gegaan: koel, emotieloos.


Sjoerds blik gaat van de directeur naar de man naast hem, de geestelijk verzorger. Er verschijnt iets van een glimlach rond zijn mondhoeken. Dat daar een mens staat die medeleven uitstraalt, ontgaat hem volledig. Sjoerd is blind voor empathie. Medeleven, medelijden, hij weet ongeveer hoe je het schrijft, maar hij kan er zich geen voorstelling bij maken. Hij weet niet hoe het voelt. Zich inleven in de gemoedstoestand van een ander is hem vreemd. Nooit gekund. Hij kan iemand zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken uitschakelen. Niet omdat hij daar genoegen aan beleeft. Hij is geen sadist. Geen psychopaat. Absoluut niet. Als hij iemand te pakken neemt, heeft hij daar altijd een goede reden voor.


Hij vindt het niet leuk om iemand te grazen te nemen. Hij vindt het ook niet erg. Hij vindt helemaal niets. De afgelopen jaren was die goede reden simpel: opdracht van de chef. Sjoerd stelde geen vragen maar deed wat er van hem werd gevraagd. De ‘Dutchman’ was effectief en meedogenloos. Hij werd er ruim voor beloond.


“Ik weet dat het verspilde moeite is, Sjoerd” zegt de geestelijk verzorger vriendelijk, “maar ik wil je toch vragen of ik nog iets voor je kan betekenen.”


“Als je weet dat het verspilde moeite is, waarom vraag je het dan?” reageert Sjoerd kalm, terwijl hij zijn wenkbrauwen optrekt.


“Omdat ook koele kikkers zoals jij, als ze oog in oog met de dood staan, nog wel eens uit hun rol willen vallen. Dan hebben ze toch ineens behoefte aan bezinning. Aan een gesprek.”


Sjoerds ogen vernauwen zich tot spleetjes. “Jij denkt…., of misschien hoop je het wel, dat ik nu nog mijn verhaal kwijt wil?”


“Misschien heb je nog vragen. Of kan ik nog wat voor je doen.”


“Jij kan niets voor me doen. Ook mijn laatste klus knap ik zelf op.”


De jongeman knikt, geeft Sjoerd een hand en zegt zacht: “Sterkte.” Sjoerd reageert niet.


“Ook geen laatste wens?” vraagt nu de gevangenisdirecteur die zich even op de achtergrond heeft gehouden.


“Dat wel,” zegt Sjoerd. “Ik heb nog wel een laatste wens.”


“Dan wil ik die nu graag horen.”


De geestelijk verzorger haalt een notitieblokje tevoorschijn.


“Ik zou graag nog een keer bruine bonen met spek willen eten. Veel bruine bonen. En doe er dan ook wat kapucijners bij.”


De directeur heeft moeite zijn verbazing te verbergen. Hij heeft in de loop van de tijd veel laatste wensen langs horen komen. Soms tamelijk vreemd, op het bizarre af. Vaak iets met eten, of muziek. Alles kon, als het maar in de cel paste, niet immoreel was, dus geen hoererij of perversiteiten, en het mocht de uitvoering van het vonnis niet in de weg staan. Dus geen levensbedreigende stunts. En het moest natuurlijk ook nog wel te organiseren zijn. Deze laatste wens is wat ongewoon maar in ieder geval zonder veel moeite te vervullen. Het is altijd weer even spannend waar een veroordeelde mee aankomt.


“Daar zullen we voor zorgen. Het is nu twee uur. Vanavond krijg jij jouw peulvruchten.”


“Veel graag.”


“Veel,” bevestigt de directeur. “Nog iets erbij? Een toetje? Of iets anders?”


“Piccalilly,” zegt Sjoerd.


“Piccalilly. Komt in orde.” En met een ‘Tot morgen mister Bolkamp’ verlaten de mannen de dodencel.


Exact om zes uur rolt er ratelend een trolley naar binnen met daarop het laatste avondmaal van Sjoerd Bolkamp. Een grote, dampende terrine vol bruine bonen, een wat kleinere met kapucijners, wat aardappelen, uitgebakken spek, een kommetje jus, een schotel met salade en een flinke bak met piccalilly. Verder een fles water.


Sjoerd bekijkt zijn maal met instemming, bedankt de mannen die het hebben gebracht en stalt de etenswaar uit op het eenpersoons tafeltje dat in de hoek van de cel staat. Dan begint hij aan zijn peulvruchtendiner.


Aan elke handeling besteedt hij zorg. Hij neemt de tijd. Hij snijdt de speklapjes in kleine, even grote stukjes zodat hij voor iedere hap wat hartigs beschikbaar heeft. Hij eet bedachtzaam. Iedere boon krijgt aandacht. Iedere kapucijner wordt fijngekauwd alvorens hem door te slikken. Hij wacht nog even met de piccalilly. Hij verwacht dat hij het gele goedje hard nodig heeft als straks de laatste bonen en kapucijners naar binnen gewerkt moeten worden.


Terwijl hij boon voor boon weg prikt, dwalen zijn gedachten af naar de gebeurtenissen van de afgelopen weken. Bij zijn laatste klus was het misgegaan. En niet zo’n klein beetje. Hij hield het op infiltratie. Ze wisten blijkbaar wat hij van plan was. Toen hij merkte dat er iets helemaal fout zat, was het al te laat. Een arrestatieteam had hem ingesloten. Toen maakte hij een vergissing. Een kostbare vergissing. Als een automaat reageerde hij op de ontstane situatie en schoot twee politiemensen neer. Zinloos want hij was kansloos. Een van de getroffene was op slag dood, de andere bezweek wat later aan zijn verwondingen. Toen hij de trekker overhaalde, wist hij dat dit het einde was. Hij was op dat moment 34. Veel ouder dan 35 zou hij niet worden. ‘Maar ’s avonds een kerel, dan ’s ochtends een kerel.’


Vorige week was hij toch nog 35 geworden. Maria was op bezoek geweest. Mooier dan ooit. Hoogzwanger. Hun kind kon nu ieder moment geboren worden. Hij had even een hand op haar strak gespannen buik gelegd. Erg intiem was het niet geworden. Maar intiem genoeg om hem ongezien zijn verjaardagscadeau toe te spelen. Hij had het in een vloeiende beweging weten te verstoppen. Table magic. Sleight of hand. Het afscheid van Maria deed pijn. Bij haar. Als de kleine ter wereld kwam, zou ze contact zoeken.


Na drie kwartier heeft Sjoerd een hoeveelheid peulvruchten verorberd waar een varken op de mesterij zich niet voor zou hoeven te schamen. De piccalilly is bepaald geen overbodige luxe geweest. Hij zit vol en dat gevoel wordt voortdurend sterker. Hij laat zich op zijn harde brits vallen en komt direct weer overeind omdat zich een golf maaginhoud aandient. Hij zet zijn kussen tegen de muur zodat hij enigszins comfortabel kan zitten. Hij dommelt weg en droomt hoe hij in een varkensstal de liefde bedrijft met Maria.


Hij wordt ruw gewekt door een steek in zijn zij. Uit de buikstreek stijgt een onrustbarende gerommel op. Alsof de Etna op uitbarsten staat. Zijn buik staat bol. Het opgeblazen gevoel wordt tamelijk onaangenaam. In zijn darmen lijken zich woeste taferelen af te spelen. Hij krijgt visioenen van tunnels gevuld met zwavelhoudende gassen. Hij voelt hoe genadeloze krampen zich golvend door zijn buikholte voortplanten. En hoe gek het ook klinkt, daar is het hem nu precies om te doen. Krachtige darmweeën die in staat zijn iets uit te stoten dat hij nodig heeft om zijn laatste wens in vervulling te laten gaan. Hij voelt hoe darmgassen onder grote druk een weg naar buiten zoeken. Maar hij merkt ook dat dat grote moeite kost. Iets belemmert een vlotte passage. En natuurlijk weet hij wat dat obstakel is. Met een zacht fluitend geluid ontsnapt er voortdurend wat kwalijk riekend gas. Maar de uitstoot is kleiner dan de productie. De interne druk loopt dus op. De pijn in zijn buik gaat richting ondragelijk.


Sjoerds ongerustheid groeit. Zo wil hij niet aan zijn einde komen. Naast stekende pijn voelt hij nu ook machteloze woede. Wat met een normale stoelgang niet was gelukt, lijkt verdomme onder deze extreme omstandigheden evenmin te lukken. Deze noodsprong, deze laatste wens, brengt niet wat hij had gehoopt. Erger nog, de pijn begint nu hels te worden. Er staat niet alleen een darm op springen, alles wat zich verder in de buikholte bevindt, wordt onder stekende pijnscheuten weggedrukt en geplet. Zijn blaas wordt leeg geperst. Het geeft een warme gevoel langs zijn dijen. Het zweet loopt met stralen van zijn gezicht. Hij begint te rillen. Hij voelt hoe het bloed uit zijn hoofd wegtrekt. Zijn buik staat strak als een stormfok. Hij ziet hoe rond zijn wanstaltig uitgerekte navel een voor een kleine adertjes beginnen te springen. Hij moet naar de wc maar hij is niet meer in staat te bewegen. Zijn ogen puilen uit. Het gekreun gaat over in gegil.


Een uur later opent een bewaker het luikje in Sjoerds celdeur omdat hij meent een telefoon te horen. Hij deinst terug. Een rottingswalm perst zich naar buiten. De wanden van de cel zijn besmeurd met geelbruine en bloederige smurrie. Gevangene RIP0274 ligt er bij alsof er op ruwe wijze een keizersnee bij hem is uitgevoerd. Hij reageert niet meer.


In de hoek van de cel jengelt een verfrommeld mobieltje dat blijkbaar hard met de wand in aanraking is gekomen. De bewaker aarzelt. Dan opent hij de deur en stapt naar binnen. Met een stuk toiletpapier pakt hij het mobieltje op.


Hij hoort een vrouwenstem. Opgewonden.


‘Sjoerd? Sjoerd? Ben je daar? Sjoerd, het is een jongetje. Alles is goed.’


Gerard Espunt, 30 oktober 2012