Pinda, pinda, lekka, lekka

 

Onze tuin met rechtsboven een kooitje met een groen dakje.



Er is een tijd geweest dat we uit liefde kleine vogeltjes opsloten in een kooitje. In dat kooitje konden ze heel oud worden, natje en droogje op zijn tijd, en uit een oogpunt van naastenliefde was daar dus weinig op aan te merken. Zolang het beestje geluid maakte zat het wel goed. In ieder geval beter dan zoals in andere beschaafde landen waar de kleine vogeltjes in groten getale werden en worden genuttigd.

 

Wij zijn nogal begaan met het lot van al die kleine vogeltjes. In onze tuin wel te verstaan. Kleine vogeltjes zoals mussen en meesjes  zijn klein vergeleken met andere tuinbewoners. Denk aan kraaien, eksters, meeuwen en soms ook reigers. Duiven zijn ook groot, maar daar kijken wij toch een beetje anders tegenaan. Duiven zijn in veel opzichten bijzonder. Ze lijken vaak wat sloom. Als er lekkers gestrooid is komen ze pas opdagen als de kraaien de tafel keurig opgeruimd achterlaten. En wat ervan af valt wordt heel attent door stofzuigmusjes opgepikt. De duiven vinden steevast de hond in de pot. Ze scharrelen voor de vorm nog wat rond en zoeken het vervolgens mismoedig hogerop om de rest van de dag met een geliefde te overleggen. Veel hebben ze elkaar niet te melden, maar ze zijn wel vasthoudend in het urenlang verspreiden van de zelfde boodschap. Waar ze heel goed in zijn is hun geliefde terugvinden. Duiven zijn qua stabiele relatie een voorbeeld voor ons moderne partnergepruts. Duiven blijven een leven lang samen en soms nog langer. Ook een overleden partner blijven ze nog heel lang trouw. En om het allemaal nog uitzonderlijker te maken, blijkt uit recent onderzoek dat in de stad duiven banger zijn voor vrouwen dan voor mannen. Oorzaak onbekend maar het geeft te denken.


Ik sla voor dit verhaaltje de tussenmaat van merels, lijsters en spreeuwen nu even over want die zien we in onze tuin nauwelijks meer. Ook de kleintjes, de meesjes en de musjes zien we overigens veel minder. Daar proberen we wel wat aan te doen. We ondersteunen de kleintjes. Vooral met pindakaas, waar ze gek op zijn. Zelf ben ik mijn studententijd doorgekomen met een basisvoeding bestaande uit pindakaas en spoorpunten (een beroemde Utrechtse uitvinding bestaande uit geperst afval uit de bakkerij. Spoorpunten zijn er niet meer maar pindakaas is er nog wel.


De pot met pindakaas wordt loodrecht op de muur bevestigd. Met de deksel eraf wordt het dan een grote smulpartij. Helaas niet voor onze kleintjes. Kraaien en eksters eisen voorrang en vliegen af en aan en zo’n pindakaaspot is dan ook binnen een uur schoonop.  Daar komt geen mus of mees tussen. Dus dat werkte niet. Veel stress bij de kleintjes en veel ergernis bij ons. Na een tijdje stopten we de pindakaasvoorziening. Jammer.

Maar zie, het probleem was blijkbaar ook in de pindakaaswereld opgemerkt en een paar handige jongens kwamen met een oplossing: de pot in een kooi met openingen waar de kleintjes wel doorheen kunnen maar de grote schransers niet. Ideaal. Natuurlijk waren de kleintjes aanvankelijk wat beducht. Ze kenden de verhalen over de kooitjes van vroeger. Maar onze gevleugelde vriendjes leerden snel en ze vliegen nu af en aan.


Het speelveld in onze tuin is radicaal veranderd. De kraaien en eksters komen nog dagelijks langs, ze hebben een goed geheugen, maar er valt niks meer te snaaien voor ze. Ze lopen wat heen en weer, pikken soms nog een hapje mee als dat uit het kooitje is gevallen, en verder moeten ze met lede ogen aanzien hoe onze kleine vriendjes zich te goed doen aan de gratis ter beschikking gestelde voedzame lekkernij. Helaas pindakaas. Het is nu de hele dag feest in de tuin. En jawel, dankzij het kiene kooitje.

 

Gerard van de Schootbrugge, 1 mei 2026