MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

0172

 

Kort verhaal uit 2010. Bewerkt. Inzending voor een schrijfwedstrijd met als opdracht: het woord schelpenzand moet erin voorkomen.

15 maart 2018

De thuisfluiter

Het begon allemaal nog redelijk beheerst. Moniek deed duidelijk haar best om een snelle explosie te voorkomen. Of dat uit liefde was of uit boosaardigheid was me niet direct duidelijk. Uiteraard hoopte ik het eerste, maar helemaal gerust was ik er niet op. Haar eerste vraag bij mijn verschijning kon ook het begin van een langzame marteling zijn. Ik koos voor de weg van de onschuld en de kinderlijke vertedering. 

“Heb je schelpenzand meegenomen?” klonk het vanuit de kamer. Moniek had onmiskenbaar mijn binnenkomst opgemerkt. Al was het maar door de plof van mijn voetbaltas op de mat van de keukendeur. Wat kon ik anders? Met het hele zooitje naar binnen stappen om mijn liefste daar zonder schelpenzand te begroeten leek me ook geen goede basis voor de rest van de zaterdagavond. En gelijk doorlopen naar boven om de plunje bij de wasmachine in een emmer te storten, zou zeker niet werken als olie op de golven betekenen. Trouwens, het was allemaal nog schoon. Niet uit de tas geweest. Daarom antwoordde ik vanaf de mat, volkomen naturel omdat ik in dit geval de waarheid sprak:

“Shit. Vergeten. Wat ben ik toch een sukkel.”

“Ik heb het je nog zo gezegd: vergeet het nou niet. Dat kreng fluit niet meer omdat ie tot aan zijn knieën in zijn eigen drek staat. Je zou gelijk na de wedstrijd langs ‘De Beestenboel’ gaan.” Uit de afgebeten articulatie leidde ik af dat de beschaafde, inleidende fase nu wel zo’n beetje voorbij was.

“Hoe laat is het eigenlijk?” probeerde ik nog om mezelf wat lucht te gunnen, terwijl ik voorzichtig de kamer betrad. Moniek zat met haar rug naar de deur en met de Linda op schoot.

“Wat dacht je zelf?”

“Krijg nou een lekke badmuts! Is het al half zeven?”

“Ja, het is al half zeven en doe me één lol: stop met dat lollige toontje. Daar ben ik nu al misselijk van, Herman. En dan moet de zaterdagavond nog beginnen.”

“Is er vanavond nog wat leuks op tv?”

“Wat dacht je van Studio Sport? Wil je niet even terugzien wat je vanmiddag hebt gepresteerd?”

“Toe nou, Moniek. Maak het nou niet erger dan het is. Zoveel later dan vorige week ben ik nou toch ook weer niet?” Ik had gelijk spijt van deze onhandige opmerking.

“Herman, ik zal proberen je bij je eigen naam te noemen, lullll. Dat schelpenzand gaat dus niet meer lukken. Dat kun je wel vergeten. Die toko is dicht. Daar gaat het om. Je wordt bedankt. Weer een week wachten. Staat dat kreng straks tot zijn cloaca in zijn eigen drek. Weet je nog? Je wilde er prijzen mee verdienen. Ja, ja. Jij kijkt er niet naar om. Die hele parkiet interesseert je geen reet.”

“Dat moet je niet zeggen, Moniek. In het begin heb ik hem best wel aandacht gegeven. Maar zijn geluid werd steeds lager. Daar win je geen prijzen mee. Weet je nog dat ik heb voorgesteld om zijn amandelen te laten knippen. Maar dat vond jij weer onzin. Weet je nog? Wat denk je, zou ik niet even achterom kunnen? Even kloppen. Is dat zo gek? Ze doen voor een goeie klant vast wel open. Toch?”

“Ik help het je hopen. Weet je wat jíj doet? …..Bekijk het maar. Bedenk maar wat. Trouwens, je doet niet anders. Maar stop asjeblieft met dat slechte theater. Pijn in mijn nek krijg ik ervan……Ik zit hier eerste rij, Herman. Pijn in mijn nek. Waar niet in. Trouwens, hoe laat was die wedstrijd eigenlijk afgelopen?”

“Ik ga nu eerst even schelpenzand halen, goed?”

“Goed? Goed? Nee natuurlijk niet. Helemaal niet goed. Ik wil eerst weten hoe laat die wedstrijd afgelopen was.”

“Weet je Moniek. Gedoe. Elke week wat anders. Vorige week was iemand de shirtjes vergeten, weet je nog. Nou hadden we weer geen scheidsrechter. Zo’n vijfde elftal laten ze maar een beetje aanklooien. Gek word je ervan. Als ik nu niet gelijk ga is die toko zo dicht.”

“Die toko is dicht Herman. Ga daar nu maar vanuit. Misschien kun je met een ramkraak nog een zak schelpenzand te pakken krijgen. Maar als jullie geen scheidsrechter hadden, dan had je toch weer heel snel thuis kunnen zijn? Of zie ik dat verkeerd? Had je een vrachtwagen vol schelpenzand kunnen halen. En maar heen en weer rijden. Dan was je pas echt een goeie klant geweest.”

“Lieve Moniek, blijf nou even redelijk.”

“Ik doe niet anders, Herman. Ik ben de redelijkheid zelf? Ik wil alleen even weten hoe laat die wedstrijd was afgelopen? HOE LAATTT?”

“Ik zei toch dat we geen scheidsrechter hadden. Weet je wat je dan krijgt?”

“Geen flauw idee. Vertel! Ik kan niet wachten.”

“Luister goed. Dan begrijp je het. Als je geen scheidsrechter hebt, liefste, dan moet je er één gaan zoeken.”

“Och god. Dat meen je niet!”

“Even serieus. Heb jij wel eens een scheidsrechter gezocht?”

“Ik zou werkelijk niet weten waar je die moet zoeken”.

“Precies. Dat is dus precies de makke. Dat gaat dus niet vanzelf. Ze zijn bijna uitgestorven. De paar die nog leven zijn ondergedoken. Wie heeft er tegenwoordig nog zin om te fluiten?”

“Een parkiet misschien? Als ie tenminste op tijd schoon schelpenzand krijgt.”

“Ja, leuk hoor. Je zult het niet geloven, maar uiteindelijk hebben we Bertussie zo ver gekregen.”

“Bertussie?”

“Ja. We moesten toch wat.”

“Bertussie? Die mongool?”

“Ho eens even, Moniek. Nou niet zo grof. Je mag mij een lul noemen, maar van Bertussie moet je afblijven. Bertussie is geen mongool maar een licht geval van Down. Hij voetbalt zelf ook. En hij spaart alles van Dirk Kuijt.”

“En die Bertussie heeft gefloten?”

“Dat ging echt niet vanzelf. Eerst wilde hij natuurlijk niet. Toen kreeg Wim een briljante ingeving.”

“Wim?”

“Ja, Wim Kastelein, onze keeper. Wim met de Handjes noemen we hem. We zaten in de kleedkamer, koppies omlaag. Logisch. De tegenstander was al aan het warmlopen. Schaamte. En toen kwam onze coach binnen met Bertussie. Het was even slikken. Dat manneke had er totaal geen zin in. Hij had ook geen idee wat er van hem verwacht werd.”

“Vind je het gek?”

“En toen zei Wim, onze keeper: Ha die Bertus. Dirk Kuijt, hè? Bertussie grijnsde. Hij glunderde. En wat doet Wim? Wat denk je?”

“Doe niet zo vermoeiend. Ik heb nog steeds geen antwoord op mijn vraag. Hoe laat waren jullie klaar? Ik heb je helemaal door. Je draait er omheen.”

Je wil het niet geloven, maar Wim laat zijn linkerkous zakken en zegt: kijk Bertus, kuit. En toen zijn rechterkous. Kuit. Je zag Bertussie kijken. En wat gebeurt er? Bertussie ging de hele kring langs en een voor een moesten we onze kousen laten zakken. Bertussie kneep even en zei: kuit. Toen alle kousen omlaag waren zei Bertussie: ik fluit alleen voor Kuijt. We gaan beginnen.”

“Hoeveel bier heb jij eigenlijk op?”

“Weinig. Er was helemaal geen tijd meer voor bier. Want we begonnen al veel te laat. En er werd regelmatig gepauzeerd. Dan moest Bertussie weer even een kuit voelen.”

“En dat heb je allemaal zelf verzonnen? Ik zou zweren dat je het zelf gelooft. Maar nu even wat anders: hoe laat waren jullie ook al weer klaar?”

“Ehhhh….ehhhhh…, nou, laten we zeggen een uur of vier? Zoiets.”

“En jullie moesten om halfelf spelen?”

“Ja, dat was de bedoeling. Maar ik zei al, voordat we konden beginnen…..”

“Hoe laat was het toen?”

“Wanneer toen?”

“Toen julie begonnen.”

“Ik denk tegen twaalven…. Ja, dat zal het wel geweest zijn.”

“Juist. En om een uur of vier klaar. Dus als ik snel reken heeft die wedstrijd vier uur geduurd. Nou begrijp ik ook dat je bekaf bent.”

“Als je snel rekent zou dat zo maar kunnen. Er is veel extra tijd bijgeteld. Er was nog net tijd voor één biertje en toen ben ik naar huis gevlogen.”

“Och, god, wat ben je toch een schat. Wat heb ik toch geboft toen ik jou tegenkwam. En jaloers dat ze zijn!”

“Wie?”

“Mijn vriendinnen. Jij hebt het maar getroffen met die Herman van jou. Hoe vaak ze dat niet tegen me zeggen.”

“En wat zeg jij dan?”

“Ik zeg dan: jullie moesten eens weten. En dan zij weer: oh, heerlijk. Herman is stiekem nog een beest ook? En waarom Geertruide dan altijd een rood hoofd krijgt? Die trut vertrouw ik al een hele tijd niet meer.”

“Zal ik dan nu eerst maar even schelpenzand gaan halen? Voordat ze dicht zijn.”

“Om de dooie donder niet. Ze zijn al dicht. Ik wil eerst weten wat jij met Geertruide hebt.”

“Lieve Moniek, mag ik …”

“Hou op met dat lieve Moniek. Ik ga zo echt kotsen. Of gooien. Of misschien wel allebei.”

“Kan iemand mij uitleggen in welk horrorverhaal ik terecht ben gekomen? Waar gaat dit over? Ben je nou echt al weer vergeten dat ik zo’n beetje de hele dag gevoetbald heb? Eén biertje. Meer niet. En toen direct naar huis. Begin jij ineens over Geertruide. Is dat soms dat manke typje met die tattoo op haar linkerbil?”

“Huh? Zie je, dat bedoel ik nou. Je bent wel verdacht goed op de hoogte van de intieme details. Je bent erbij mannetje!”

“Nee, nou wordt ie goed! Dat van die tattoo heb je me nota bene laatst zelf verteld. Jullie waren met de wandelclub in het Speulderbos. Geertruide moest, om zo te zeggen, even van het pad af. Met die storm. De wind sloeg onder die enorme flodderrok van haar. Die vloog over haar hoofd en bleef steken achter haar wandelbroche. Jullie moesten haar weer op het rechte pad helpen en alles los proberen te krijgen. Waar of niet?”

“Heb ik dat verteld?”

“Nou ook even flink zijn, graag, Moniek. Wie anders? Geertruide stond daar met haar wandelonderbroek en haar wandelpanty op de enkels en haar wandelrok als een boerka over haar hoofd. En toen zagen jullie die tattoo van Balkenende. Op haar linker bil. Niet op de rechter. Waar of niet?”

“Het was een stemadvies aan haar man, zei ze.”

“En of ik dat allemaal maar wilde geloven.” Ik kreeg even het gevoel dat de wedstrijd aan het kantelen was. Ik had Moniek bijna op haar rug maar dat klinkt natuurlijk een beetje vrouwonvriendelijk.

“Er was ook geen woord gelogen,” beet Moniek mij toe.

“Waarom dan zo wantrouwend als ik je vertel wat we vandaag met Bertussie hebben meegemaakt? Waarom niet blij dat ik vrijwel direct na de wedstrijd naar huis ben gekomen? Als we nou gewoon vaststellen dat er geen Geertruide is en geen schelpenzand, dan zijn we er toch?”

“Grrrrrrrrrr.”

“Dan ga ik nu eerst schelpenzand halen.”

“Goed, dan gooi ik die voetbaltroep wel even in de wasmachine. Kom maar op met die tas.”

“Ik doe het zelf wel even. Jij hebt de hele dag al lopen sloven.”
“Ga nou maar en geef mij die tas.”

“Ik ben al weg.”

 

Zeven tellen later.

 

“Herman!!!”

“Ja, liefste.’

‘Terugggg. Nu. Kom hierrrr.”

“Wat is er liefste?”

“Ik eis een verklaring. Hier. Kijk. In je tas.”

“Ja. Wat is het probleem?”

“Schoon. Opgevouwen. Droog.”

“Ja. Kan dat niet? Je weet toch hoe netjes ik op mijn spulletjes ben. Ik zal het je uitleggen. Maar dan moet je eerst beloven dat je me gelooft.”

“Ik geloof nu alleen nog in vernietiging. Totale vernietiging. Van jou.”

“Kalm maar. We waren met veertien man. Ik was vandaag reserve….. Snap je? Vind je het heel erg als ik eerst even schelpenzand ga halen? Zet een biertje koud als je wilt? Ik ben vandaag een hoop te kort gekomen.”

“Als je dat biertje nou eens bij Geertruide ging halen? Zal ze vast leuk vinden.”


Espunt, 15 maart 2018