MEEM'64, Evolutie, Ideeën, Taal en Creativiteit

Gerard van de Schootbrugge (alias Gerard Espunt)

Kennismaken

Prille jeugd
            
            Bij mamma op schoot
            Ik ben in 1945 geboren als Gerardus Aloysius van de Schootbrugge. Gerard Espunt is dus niet mijn echte naam. Het is een pseudoniem. Soms vraagt iemand: waarom zo moeilijk? Misschien kan ik dat over een paar jaar uitleggen. Ik ben altijd trots op mijn ouders geweest. Mijn vader overleed al jong (in 1970, 52 jaar oud), mijn moeder is 95 jaar geworden. Zij is in 2013 overleden. Haar levensverhaal vind je hier.    
            Hilversum was mijn geboorteplaats. Na mij kwamen er nog drie broers en twee zusjes. Mijn zusje Lilian overleed in 1956. Ze was toen nog maar negen jaar. Ik heb geprobeerd wat herinneringen aan die trieste periode op te schrijven. Kijk hier.           
            Mijn drie broers spelen nog steeds samen in een pogroep. Ik zou graag met Ben, Gabri en Erwin meedoen, maar ik speel niet goed genoeg (gitaar of keyboard).            
            Ik kan me nog goed herinneren dat ik als jochie apetrots was als ik op de radio de naam Hilversum hoorde noemen. En dat gebeurde de hele dag. Hilversum 1 en Hilversum 2. En  geen televisie. Die kwam pas in de jaren vijftig. Klein beeld, veel ruis en zwart-wit. We vonden het fantastisch! Bewegende beelden.           
            In mijn jeugd las je vooral boeken. En soms was er iets leuks op de radio. Zoals een hoorspel.
            Ik was gek op lezen. Er was meestal geen geld om boeken te kopen. Je  leende ze uit de rijdende biobliotheek die iedere week op de hoek van straat stond.            
            Op mijn zesde begon het serieuze leven. We waren katholiek. Dus ging ik naar de
Sint Willibrordusschool aan het Dr. Cuypersplein (bestaat niet meer). Het was allemaal wat minder vrolijk dan tegenwoordig. Rechtop, armen over elkaar en in de rij  op harde houten banken. Wel veel geleerd! Ik heb er nog steeds plezier van. In de hogere klassen mocht je een boek uit de klassebibliotheek pakken als je werk af was. Op zaterdagochtend, het laatste kwartier. Daar kwamen de eerste beroemde boeken al langs: Gullivers Reizen, Robinson Crusoe, Overwintering op Nova Zembla. Thuis lazen we, uit de rijdende bieb, Pim Pandoer, Bob Evers en al die andere spannende en   avontuurlijke jongensboeken.

Zomer 1946. Hilversum, Huygenstraat 33. Bij mijn moeder op schoot.

 Helden op sokken en voetbalschoenen
            Als je jong bent heb je helden. Meestal is je vader je eerste held. En als je geluk hebt ook je laatste, maar dat is zeldzamer. Ik ben al weer heel lang zelf vader en dan leer je hoe moeilijk het is om een held te zijn en te blijven. Maar goed, mijn vader was mijn eerste held. Groot, onnoemelijk sterk, en dan ook nog een uniform. Een politie-uniform. Met een pet en een dikke riem en een holster waar een pistool in paste. Kortom, mij kon niks gebeuren. De boeven wisten natuurlijk dat er in ons huis een politieagent woonde. Ze zouden wel gek zijn om binnen te komen. Dat was een veilig gevoel. Nu ik wat ouder ben besef ik hoe belangrijk het is voor kinderen dat ze een veilig thuis hebben. Er was ook wel een minpuntje. Mijn vader was behoorlijk streng. Als je bij de politie was moest je het goeie voorbeeld geven. Niet alleen zelf, maar ook je kinderen. Dat vond mijn vader. En dat gaf wel eens problemen. Maar toen was ik al weer wat ouder.           
            Mijn vader voetbalde bij de Hilversumse voetbalvereniging EMM, voortgekomen uit de katholieke arbeidersbeweging. En hij was goed, dat  hoorde ik regelmatig van mijn grootvader en van mijn ooms en tantes. Op  maandag lag de vuile voetbaltroep van mijn vader ergens in de keuken. Als jochie van een jaar of vier sloop ik dan heel vroeg, lang voordat  mijn moeder de hele handel in een ketel met kokend water had gekieperd, naar beneden. Dan trok ik die mooie rood-witgestreepte voetbalkousen aan  en dan rook ik voorzichtig aan het bezwete, rode voetbalshirt waarin  mijn vader zijn heldendaden had verricht. Half beneveld door het zoetig  geurende zweet werd ik dan door mijn moeder aangetroffen.           
            
De voetbalclub bestaat nu niet meer onder de naam EMM. Op 1 juli 1995 is de Hilversumse Sportvereniging Wasmeer opgericht, een fusie van de Sport Vereniging E.M.M.(1915) en de Hilversumse Voetbal en Atletiek Vereniging DONAR (1916). In mijn jeugd speelde EMM meestal in de vierde klasse. DONAR een klasse hoger. DONAR heeft een beroemde voetballer opgeleverd: Roel Wiersma. In de jaren vijftig was hij de vaste linksback van het Nederlands elftal. 
            

Zo ging de liefde en bewondering voor mijn vader vloeiend over in de  liefde voor het voetbal en in bewondering voor de voetbalhelden uit de jaren veertig en vijftig. Een stak er met kop en kuif bovenuit: Abe Lenstra. In mijn jonge jongensgeest een magische verschijning, een beeld  dat nog werd versterkt door mijn grootvader van moeders kant, een echte Fries, die niets met voetbal had maar alles met Abe. Op dit filmpje kun je iets zien van de Abe de Tovenaar. Je ziet ook hoe hij jongens het geheim van de smid verklapt. Een van die jongens had ik kunnen zijn (als ik in de buurt van Heerenveen had gewoond). Wat Abe laat zien, daar kunnen we nu nog veel van leren. En dan moet je bedenken dat die leren bal vroeger echt loodzwaar was. Kijk hier voor het filmpje.
             Ik heb Abe een keer in levende lijve zien voetballen. Waar we als jochies van smulden waren de stripboekjes van Kick Wilstra, de Wonder-middenvoor. De voornaam kwam van de beroemde voetballer Kick Smit (HFC Haarlem), Wilstra was afgeleid van twee beroemde voetbalnamen uit de naoorlogse jaren: Faas Wilkes en Abe Lenstra. En het is wel duidelijk waar de kuif van de wonder-middenvoor vandaan kwam.
            
Wij hebben wat afgevoetbald in mijn jeugd. Op straat en op verloren  stukjes land. Wie de bal meebracht was de baas. Die bepaalde hoe de  partijen samengesteld werden en welke doelpogingen afgekeurd moesten  worden. Als niets meer hielp, pakte de balbezitter de bal op en deelde  mee dat hij naar huis ging. Dan verdwenen alle onenigheden en   interpretatieverschillen als sneeuw voor de zon. Dat heeft me geleerd dat je in het leven moet zorgen dat je aan de bal bent of, nog beter, dat de bal van jou is.
            
           

Hilversum 1944. Het eerste elftal van EMM, met mijn vader.

Van links naar rechts: Staande: Dhr. Pel, Frans van Dijk, Siem Buis, Ap van Grindven, Toon Fakkeldij,  Vitus Poort, Jan van de Schootbrugge, Evert Wingelaar,dhr Brouwer, Jan Vlug,   N. Fennis, Jan v.d. Kamp.Geknield: Ko Suijk, Kees Mosterdman, Henk Vlug, Ben Hom.

Op de foto, afkomstig uit de Katholieke Illustratie van 26 mei 1950, het Nederlands elftal dat verrassend met 3-0 won van Engeland B. De beslissende goal was, hoe kon het ook anders, van Abe Lenstra (Heerenveen, op de foto gehurkt, tweede van rechts. Naast hem, in het midden, de jonge Rinus Michels (Ajax). Staande boven beide helden twee andere helden: keeper Piet Kraak (Stormvogels) en stopperspil 'IJzeren' Rinus Terlouw (Sparta). Olympisch Stadion, 17 mei 1950.


Een van onze voetbalegendes en een jeugdheld: Abe Lenstra.



Helden met pijl-en-boog
             Ik was een jaar of negen en ik was ziek (griep?). De eerste paar dagen was ik te beroerd om mijn ogen open te doen. Maar toen ik me weer wat beter voelde, begon ik me te vervelen. Mijn vader meende dat ik de zaak goed moest uitzieken. Mijn moeder kwam met de oplossing. Een oplossing die grote indruk op me maakte. Zij bracht voor mij deeltje 5 van Eric de Noorman mee, de onsterfelijke stripserie van meesterillustrator Hans G. Kresse. Deeltje 5 met als titel De Valse Koning.  Het maakte een verpletterende indruk op me. In de jaren daarna kwamen er deeltjes bij. Ik herinner me Storm over China. / Het Rijk van het Midden en De Wolven van Scorr.            
            Helaas konden mijn verjaardagen en sinterklaasfeesten, de momenten dat  ik een nieuwe Eric kreeg, de productie van Hans G. Kresse niet  bijhouden. Erger nog, de stripboekjes waren zo slecht uitgevoerd (jaren vijftig) dat ze al snel de mist ingingen. Ook al omdat er intensief  ruilverkeer ontstond wat voor een versnelde veroudering zorgde. Niet  bevorderlijk voor het aanzien van de boekjes, maar wel voor de onderlinge band en voor de gemeenschappelijke idealen. Wij liepen in die  tijd nooit zonder een slagzwaard op straat en ook de pijl - en - boog hoorde bij onze standaarduitrusting.            
            Een goeie boog was een waardevol bezit. Je had niet zomaar een boog daar ging veel werk in zitten. Meestal werd er een stevige tak genomen. Die moest de goede lengte en buigzaamheid bezitten. Te star dan kreeg je hem niet gebogen, te slap dan trok je hem uit elkaar. Ik ben vergeten welke boomsoorten het beste resultaat opleverden. Het mocht in ieder geval geen dood hout zijn want dat brak. Hoewel, ik moet dat direct corrigeren, zelf had ik wel een  boog van dood hout. Maar dat was wel bijzonder dood hout. Bamboe. Een  stuk van een oude loophengel waarmee je in die tijd op snoek viste (met een klein levend visje aan de haak, geen leuke sport). Het stuk hengel was in de lengterichting gesplitst. Aan de uiteinden waren kerfjes aangebracht  om het koord goed te kunnen vastzetten. In het midden was de boog omwikkeld met gekleurd garen. Voor de handgreep en voor de show. Na de nodige fine-tuning werd het al met al een lekker boogje waar ik flink de blits mee maakte. Als pijlen gebruikten we uitgeharde rietstengels die eveneens een kerfje aan de onderkant kregen om ze goed op het koord te kunnen zetten. Om er ver en gericht mee te kunnen schieten omwikkelden we de tip met een reepje oude binnenband voor extra gewicht, soms ook een reepje lood maar kostte een vriendje op een bepaald moment bijna een oog. Binnenband was veiliger.           
            
Tegen de tijd dat ik belangstelling kreeg voor ander leesvoer waren mijn Eric-boekjes uit elkaar gevallen en verkruimeld. Tot mijn grote vreugde had uitgeverij Panda in Den Haag begrip voor mijn kleine verdriet. In1991 zijn zij begonnen met het opnieuw uitgeven van de hele serie. In prachtband. Er wordt nu   aan een nieuwe uitgave gewerkt. Nog mooier. Wat ik als jochie wel vermoedde en in ieder geval hoopte, werd toen alsnog zeker: Eric, de edele koning der Noren, is onsterfelijk. 

Een ander soort held: Eric de Noorman, koning der Noren.

Ook uit de boeken van Karl May (Winnetou!) en Arendsoog (Witte Veder) staken we het nodige op op het punt van (be)sluipen en boogschieten.



 Jochie met dromen
            
            Scholen en schrijven
            
Schrijven met pen en inkt was fantastisch. Totdat je iets onhandigs deed  en er een druppel inkt op je oefeningenschrift terecht kwam. Als je  vlug was, kon je met vloeipapier de ramp nog een beetje indammen. Als je wat ouder werd (12 of zo) kreeg je een eigen vulpen.            
            Wij speelden op straat en op de hei. De hei was een magische speelplek. Nooit zonder gevaren. Daarom gingen we altijd met een groep op pad. Mijn  vader was rechercheur en hij waarschuwde regelmatig voor kinderlokkers. We zouden het nu pedofielen noemen. We zijn er in die lagereschooltijd nooit een tegengekomen.           
            In 1957 was mijn kindertijd voorbij. Ik kreeg een tweedehands fiets  waarmee ik een nieuwe levensfase binnentrapte. Ik ging naar het RK  Lyceum voor het Gooi aan de Emmastraat in Hilversum. Op honderd meter van de KRO. Het bleef allemaal nog erg katholiek. We wisten niet beter.  Het hoorde erbij. De school heet tegenwoordig het Alberdingk Thijm College. Ik raakte oude vriendjes kwijt en kreeg er nieuwe voor terug. Mijn wereldje werd groter. En ik genoot van alle nieuwe wijsheid. Wiskunde, Natuurkunde, Scheikunde, Grieks, Latijn, enz. We werden bij Nederlands uitgedaagd om echt te gaan schrijven. Mijn opstellen waren onmogelijk lang. En we lazen boeken die veel te moeilijk voor ons waren.  Na zes jaar, het was intussen 1963, kreeg ik mijn diploma Gymnasium ß.  Ik stond voor de keus:  Nederlands studeren of Wis- en Natuurkunde.            
            Op  de eindexamenfeesten van dat jaar hoorde ik voor het eerst nieuwe, spannende muziek:
The Beatles. En de Rolling Stones. En al die andere Britse popgroepen die de klank en de sfeer van de jaren zestig zouden bepalen.
             

Hilversum, Willibrordusschool, 1951/1952 Voor het eerst schrijven met een kroontjespen.

Sterallures en sterrenkunde
             Ik was een nieuwsgierig kereltje met een brede belangstelling. Dus veel  lezen. En soms wilde ik ook wel eens laten weten dat ik veel wist. Als  ik er nu op terugkijk zal dat niet altijd gewaardeerd zijn. We leven nu  in het Tijdperk van de Praatjesmaker, maar in mijn jeugd moest je gewoon je mond (ook wel waffel of snater) houden als de grote mensen het woord voerden. En er niet steeds  tussendoor roepen dat jij wel wist hoe het zat. Wat de hoofdstad van Uruguay was of hoeveel kilometer het was naar de maan. Dat was misschien  een keertje leuk, maar op verjaardagsfeestjes als een soort pratende  encyclopedie de aandacht trekken, daar maakte je echt geen vrienden mee. Zelfs mijn vader werd dan al snel chagrijnig.            
            Ik was vooral erg trots op mijn kennis van de sterrenkunde.   Die kennis haalde ik uit een boek waar ik bijna verliefd op was: 'De Sterrenkunde in een Notedop' van J.C. Alders. Deze Alders was leraar aan  (naar ik meen) een HBS in het oosten van ons land en woonde in Lochem. Hij schreef in de jaren dertig, veertig en vijftig een groot aantal boeken voor de jeugd (veelal voor jongens) over technische en   wetenschappelijke onderwerpen. Figuur 41 uit dit boek laat wel zien dat het vak serieus werd aangepakt. Het was deze J.C. Alders die me deed trillen van opwinding als ik 's avonds in de schemering het ene sterretje na het andere zag aanflitsen. Ik wist dat er niemand was die de schakelaartjes overhaalde. Ik wist dat die nietige lichtpuntjes in werkelijkheid onvoorstelbaar grote en hete gasbollen waren die op onvoorstelbaar grote afstand stonden. Het was het begin van een nooit eindigende fascinatie voor de kosmos. Tijdens mijn studie in Utrecht koos ik voor Astronomie als bijvak. Het is nu weer een hobby, zoals het ooit begon. Hoe ver zo'n hobby kan gaan (niet bij mij!) zie je
hier.           
            In mijn jeugd was de sterrenkunde gebaseerd op waarnemingen met optische kijkers, instrumenten die gebruik maken van zichtbaar licht. De grootste kijker stond in die tijd in Californië (San Diego) op de Mount  Palomar.
Hier een prachtige tekening van de machtige Hale-spiegeltelescoop. De diameter van de spiegel is ruim 5 meter. De Haletelescoop werd in 1948  in gebruik genomen. Het slijpen en polijsten van de enorme spiegel had dertien jaar geduurd! Wil je meer weten over de Haletelescoop en zijn voorgangers kijk dan hier.  Lang was de Haletelescoop de grootste spiegeltelescoop op aarde.            
            Maar  de astronomen zijn nooit tevreden. Kan het nog groter? Nog beter? Ja, dat kan. De techniek heeft het mogelijk gemaakt om telescopen met een  diameter van 10 meter te bouwen. Alleen niet meer uit één grote plak glas, maar uit een honingraat van losse spiegelonderdelen die door computers gecontroleerd worden. En er zijn nog veel grotere instrumenten  in voorbereiding. Al deze supertelescopen staan in de meest  onherbergzame gebieden op aarde. Op bergen in Chili, Hawai of La Palma waar de omgevingstemperatuur niet te veel varieert en waar de atmosfeer ijl en rustig is. Als je helemaal geen last van atmosferische storingen wil hebben, moet je de ruimte in. Het meest spectaculaire voorbeeld is de Hubbletelescoop (spiegeldiameter 2,4 meter) die sinds 1990 als een satelliet om de aarde draait en fascinerende opnamen van het heelal naar  ons toestuurt.           
            
Ook in mijn jeugd begon een geheel nieuwe tak van de astronomie de aandacht te trekken: de radioastronomie. In 1956 werd op de hei in Dwingelo de op dat moment grootste radiotelescoop ter wereld in gebruik genomen. Nederland had zijn toonaaangevende positie op het gebied van de  sterrenkunde opnieuw bevestigd (en voor een tijdje veiliggesteld) met deze metalen spiegel die niet licht maar radiogolven opving. 
            Overigens heeft Nederland op dit gebied sindsdien niet stilgezeten. Na  Dwingeloo kwam de synthese-telescoop van Westerbork en sinds kort staan  we weer op de eerste plaats met de LOFAR-radiotelescoop die bestaat uit duizenden kleine antennes die straks over een groot  deel van Noord-West-Europa verdeeld liggen. LOFAR werd in 2010 in   gebruik genomen.


De Sterrenwereld in een Notedop van J.C. Alders was een bijbel en een avonturenboek tegelijk. Een karakteristieke tekening van enkele elementaire astronomische begrippen laat wel zien dat dit allemaal geen kinderspel was. En toch was het dat in zekere zin natuurlijk wel.

De officiële ingebruikname van de radiotelescoop in Dwingeloo op 17 april 1956. Op de foto o.m. koningin Juliana en professor Jan Hendrik Oort, de grote man van de vaderlandse radioastronomie. Jarenlang was dit de grootste radiotelescoop ter wereld. Hij is sinds kort beschikbaar gesteld voor amateurastronomen. Een magisch oor dat mijn verbeelding in hoge mate prikkelde.


Er   was nog een boek waar ik als jochie bijna verliefd op was. Ik had het voor het eerst gezien bij mijn ome Hennie, een broer van mijn vader. Een  machtig boek met een machtige titel: de Triomftocht der Wetenschap.
            Het  was geschreven door Walter Shepherd, een man die ik mateloos bewonderde  vanwege zijn in mijn ogen onwaarschijnlijk grote geleerdheid. Zoveel te weten van de dingen om ons heen, dat wilde ik ook. En zo kon het  gebeuren dat ik op mijn 14de verjaardag het felbegeerde boek kreeg, tweedehands aangeschaft bij De Boekenwurm in Hilversum voor een bedrag van f 12,50. Uiteraard heb ik het boek nog steeds. Het is een tweede en  herziene druk uit 1953. Het boek verscheen in 1939 onder de titel Science marches on. Shepherd heeft nog een serie populair wetenschappelijke boeken geschreven, maar over de man zelf is op  internet weinig terug te vinden. Hiernaast een van de prenten: de Engelse natuurkundige Oliver Lodge bij de Triliet van Stonehenge.


Het Periodiek Systeem der Elementen (scheikunde)
            Naast sterrenkunde werd scheikunde een boeiende hobby. Ik las ergens dat  er in de natuur allemaal verschillende elementen voorkwamen. Of  atoomsoorten. Zo had je het element waterstof dat door de scheikundigen  met de hoofdletter H werd geschreven. Die H komt van Hydrogenium wat  letterlijk 'watermaker' betekent. Waterstof is een brandbaar gas. Als je  het aansteekt, brandt het en ontstaat er waterdamp. Vandaar.
            Ik wilde graag alles van die elementen weten en kon aanvankelijk niet  iets anders bedenken dan in het woordenboek, De Dikke Van Dale, te  zoeken naar letters die bij een element hoorden. Zo vond ik bij de B:  symbool voor het element borium (yes! ik had er weer een) en bij de C stond: symbool voor het element koolstof. En zo groeide de lijst in mijn  schrift. Ik heb het nog.
            Wat later deed ik een nieuwe ontdekking. Al die elementen vormden samen het Periodiek Systeem der Elementen. Een groot schema met 92 verschillende elementen. Alle verschillende atoomsoorten die in de natuur voorkwamen. Ik rustte niet voordat ik het schema uit mijn hoofd kende. Dit magische schema waarmee je heel veel van de wereld om ons heen kan begrijpen. Want die wereld is het resultaat van de combinaties van al die verschillende atomen. Hier zie je een plaatje van het   Periodiek Systeem zoals ik het meer dan vijftig jaar geleden heb nagetekend in mijn scheikundeschrift.            
            
Pas veel later, tijdens mijn studie natuurkunde, begon ik echt te begrijpen hoe dat Periodiek Systeem in elkaar zat. Maar op dat eerste   schriftje was ik apetrots! Veel later heb ik nog eens een artikel geschreven over het periodiek systeem en over de nieuwe elementen die de wetenschap aan het periodiek systeem heeft toegevoegd. Elementen die   niet in de natuur voorkomen. Het is een beetje technisch verhaal maar misschien vind je het toch spannend om er eens in te kijken. Dan moet je hier klikken.
            Een boekje dat me in mijn scheikundejeugd erg heeft geïnspireerd was 'Scheikunde tihuis' van H.L. Heys. Daar stonden allerlei aanwijzingen in hoe je thuis je eigen laboratorium kon opbouwen. Belangrijk onderdeel daarvan was de scheikundekist (zie afbeelding hiernaast) waarin je al die gevaarlijke   stoffen veilig kon afsluiten zodat jongere, nieuwsgierige gezinsleden er niet bij konden. Ik ontdekte op zolder een oude houten kist en zeurde net zo lang tot ik hem mocht gebruiken voor mijn scheikundehobby. Mijn ouders waren er absoluut niet blij mee. Hoewel ze geen idee hadden wat kaliumpermanganaat was, om maar eens een voorbeeld te noemen, voelden ze  intuïtief aan dat ik met duistere zaakjes bezig was. En helemaal ongelijk hadden ze niet want van lieverlee vonden ook echt gevaarlijke   spullen zoals geconcentreerd zwavelzuur, salpeterzuur en zoutzuur een plek in de kist. En daar moest je toch echt wel voorzichtig mee zijn. Die spullen kon je in die tijd overigens nog gewoon bij de drogist kopen. 'Mag ik een onsje kopersulfaat?' 'Heeft u ook ijzerchloride?' 'Ik heb geelbloedloogzout nodig.' 'Waarvoor, als ik vragen mag, jongeman?'   'Ik wil Berlijns Blauw maken, meneer.' 'Juist, ja. Hoeveel heb je   nodig?' Zo ging dat dus.
            Toen ik ging studeren ging de kist mee. Niet omdat ik mijn hobby in Utrecht wilde voortzetten maar omdat mijn moeder niet met die griezelige tijdbom achter wilde blijven. Ik ben in mijn studententijd, en ook nog  daarna, heel wat keren verhuisd. En altijd ging, of beter gezegd moest, die kist mee. Al was het maar omdat ik geen idee had waar ik al die chemicaliën moest laten. Ik trouwde en kreeg kinderen en de kist werd een steeds groter probleem. Gemma, mijn vrouw, vond het helemaal niks en was als de dood voor het zwarte monster. Mijn kinderen vonden het reuzespannend als ik een keer per jaar, een soort jaarlijkse inspectie,  de deksel van het slot deed en ze een blik in de kist gunde. Uiteindelijk was de inhoud van de kist zo door de tand des tijds maar  vooral door de langzaam ontsnappende zoutzuurdampen aangetast dat ik hem  met een deel van de inhoud bij het chemisch afval heb afgeleverd (die  mogelijkheid bestond in de jaren vijftig nog niet). Een deel van de  inhoud, nog in de originele potjes en flesjes, staat nu op mijn  studeerkamer. Een enkele keer komt het nog van pas. Bijvoorbeeld bij een  spectaculaire goocheltruc. En een paar jaar geleden heb ik mijn zoon  als sinterklaassurprise een chemische tuin laten maken. Iedereen was  diep onder de indruk van dit wonderlijke fenomeen. Kijk hier maar eens dan zul je zien hoe gaaf scheikunde kan zijn.
            
            Wat in die jaren vijftig en zestig nog kon, chemicaliën bij de drogist  kopen en zelf proefjes doen, is nu helaas een stuk moeilijker geworden.  Als er iemand last heeft gekregen van het terrorisme dan is het wel de  scheikunde-amateur. Bij de drogist hoef je niet meer aan te komen met  een verzoek om natriumbicarbonaat. En als je nu op internet gaat  snuffelen om te zien waar de stofjes nog te krijgen zijn, loop je kans  dat je gespot wordt door een of andere geheime dienst (NSA) die graag wil  weten waarom iemand kaliumchloraat zou willen hebben. Misschien  begrijpelijk, maar in ieder geval jammer. De wereld is de afgelopen  vijftig jaar wat minder onschuldig geworden. Daar word ik in ieder geval  niet vrolijk van.

Het Periodiek Systeem der Elementen zoals ik dat in mijn scheikundeschriftje terug vond. Nagetekend uit een veel te geleerd boek. Maar misschien daarom ook zo fascinerend. Het duurde nog jaren voordat ik echt begreep hoe dit schema in elkaar steekt.

Hierboven een indruk hoe ik de fascinerende stofjes bewaarde: deels in kleine inktpotjes. Links (oranje) kaliumbichromaat, rechts (groenig) ijzersulfaat. Beide, overigens volstrekt onschuldige stofjes, kon je in mijn jeugd gewoon bij de drogist op de hoek kopen. Ze kregen een veilig plekje in de scheikundekist.




 Student in Utrecht (1963- 1971)
            De keuze tussen Nederlands en Natuurkunde was een beetje bizar. Na lang   aarzelen werd het Wis- en Natuurkunde. Dat was volgens iedereen het vak van de toekomst (bleek later nog wel tegen te vallen). Zomer 1963 naar Utrecht. Kamer zoeken en lid worden van een studentenvereniging. Maar   eerst nog even drie weken groentijd. Bij Veritas.            
            Student zijn en studeren was soms moeilijk te combineren. En dat was  zeker zo in die krankzinnige jaren zestig. Alles veranderde. Ineens  waren we niet meer katholiek. En de jasje-dasje-student met zijn paraplu  werd een soort dorpsgek. Studenten lieten hun haar groeien en begonnen  overal tegenaan te schoppen. Letterlijk en figuurlijk. Uit het Oosten  moest het heil komen: uit China en de Sovjet-Unie. Het communisme dus.  Je kunt het je nu bijna niet meer voorstellen. Het lijkt lang geleden.  Een soort Occupy-beweging, maar dan heel groot.
            
            Ik werd hoofdredacteur van de Vox Veritatis, het verenigingsblad van  mijn studentenvereniging. En ik schreef zeer experimentele gedichten  voor de meisjes waar ik verliefd op werd. Intussen zat ik te worstelen  met Quantummechanica.

            

            Mooie herinneringen bewaar ik onder meer aan de groentijd 1967. Ik  maakte deel uit van de Installatie Commissie en had wat je noemt een  vrije rol. Dat kun je ook afleiden uit de functie die ik in de Commissie   vervulde: Querulant. Er klopten ruim 400 beginnende studenten bij   Veritas aan om lid te mogen worden. We hebben er dolle dingen mee   beleefd. Nationale publiciteit kreeg een stunt van vier groenen (bij   Veritas in die tijd feuten genoemd) die tijdens de groentijd op het   Afcent-hoofdkwartier in Brunsum (Nato-centrum) op een vroege   zondagmorgen het zwaarbewaakte terrein wisten binnen te komen om   vervolgens de Nato-vlag te vervangen door Veritasvlag. Ongezien wisten   zij vervolgens met de Nato-vlag te ontsnappen. Later op de dag werd de   vlag tot grote opwinding van alle aanwezige leden op de sociëteit   getoond. Tijdens de daaropvolgende, geïmproviseerde, persconferentie   werd de Nato-vlag door twee rechercheurs in beslag genomen. Achteraf   bleek dat het nog het nodige speurwerk had gekost om te achterhalen waar   die vreemde vlag vandaan kwam die daar zo frank en vrij wapperde op de   binnenplaats van dit zwaarbeveiligde stukje Nederland.
            Deze muis kreeg nog een fraaie staart. Het jaar daarop kregen wij een  uitnodiging van het Nationaal 1-April Comité of wij op 1 april 1968  aanwezig wilden zijn in het Strandhotel in Zandvoort. In rokcostuum.  Daar stond ons een eervolle gebeurtenis te wachten. Hoewel wij vreesden  dat wij het slachtoffer zouden worden van een flauwe 1-aprilgrap hebben  we de uitnodiging toch maar serieus genomen. Met de vier studenten en  met diverse vriendinnen, waaronder Gemma die ik net kende en die zich  steeds meer begon af te vragen in wat voor maf milieu ze verzeild was geraakt, ben ik naar Zandvoort afgereisd. Het bleek dat wij, Veritas, de  Bronzen Loeres hadden gewonnen. De prijs voor de beste 1-aprilgrap van  het jaar 1967. Voor een uitgebreider verslag van de happening en van de  geestige achtergrond van een en ander,
klik hier.
            
            Kleurrijke figuren
            Zo'n studentenvereniging ontleent een hoop van zijn lol uit de  krankzinnige mores die met de grootst mogelijke eerbied nageleefd dienen  te worden, en uit de kleurrijke figuren die vaak niet uitblinken in  studieprestaties maar die zo'n besloten gemeenschap wel een impliciete  structuur geven. Stijn Povel, een van de telgen uit het bekende geslacht  Povel, was zo'n kleurrijke figuur. Klein, tenger, kwetsbaar, maar met  een enorm stemvolume dat hij de ene keer met succes inzette om een  koppen grotere veterinair zijn plaats te wijzen en de andere keer om  voor te gaan in het populaire community singing. Stijns vader, Leon  Povel, de hoorspelregisseur, was een van mijn jeugdhelden. Toen ik als  jochie van tien in 1955 de beginklanken hoorde van het eerste aflevering  van Operatie Luna, het eerste deel van Sprong in het Heelal   was ik volkomen verkocht. En met mij een groot deel van Nederland. Leon  overleed op 8 januari 2013. Hij werd 101. Stijn ging hem voor in 2008  en werd 66. Voor een herinnering aan Leon,
zie hier. Vlak voor zijn overlijden had ik een interview met Stijn dat je hier kunt lezen pdf.           
            Ook op Veritas kon ik mijn schrijfdrang maar moeilijk bedwingen. Zo kon  het gebeuren dat ik rond 1967 hoofdredacteur werd van het in die tijd  nogal armoedige verenigingsblad de Vox Veritatis die we meestal vol  schreven op de avond/nacht dat er een deadline was. Met grotendeels  flauwekul. Zo schreef ik, niet gehinderd door enige vorm van  zelfkritiek, een vervolgverhaal over Fatje M'Organa, de de woestijnmiet.  Het is maar goed dat de bewaartermijn van deze periodiek al heel lang  verstreken is. In ieder geval niet iets waar ik nu nog erg trots op ben.  maar ik moet aannemen dat het in die tijd allemaal erg geweldig was.  Het was in ieder geval een erg boeiende tijd waarin heel veel gebeurde.  Wij hadden daar wel erg in, maar hoe groot de omwentelingen waren en nog  zouden worden, zagen we als binnenstaanders niet erg scherp. Zo duurde  het toch nog even voordat iedereen het wel zo'n beetje eens was dat de  tijd van de studentenvereniging-oude-stijl nu toch echt voorbij was. In  de meervoudige revolutie van de jaren zestig en zeventig, toen we ons  opstandige karakter onderstreepten door kompjoeter te schrijven, raakte  het jasje-dasje-pluutje geheel uit zicht.
           
            Ik heb op Veritas mooie tijden beleefd. En er zijn in die heftige jaren   zestig vriendschappen voor het leven ontstaan. Ik kijk er niet alleen   met een goed gevoel op terug, ik doe ook mijn best om zo nu en dan een   sprankje van die tijd terug te toveren. Dat doe ik sinds enige tijd als (eind)redacteur van onze Reünistenvox. Daardoor kom ik met enige   regelmaat weer op Het Eigen Huis, de thuisbasis van Veritas aan de   Kromme Nieuwe Gracht in Utrecht. En wat ik daar aantref is toch weer een   klassieke studentenvereniging nieuwe stijl. De open en zweverige sfeer   van de jaren zeventig waar Veritas bijna aan is bezweken, heeft   plaatsgemaakt voor een grote studentengemeenschap die studenten een   veilig en plezierig huis biedt. Met bier en jasje/dasje, zeker, maar ook   met heel veel activiteiten en op een punt wezenlijk anders adn in mijn   tijd. Het zijn nu de meisjes die de toon aangeven. Ik heb de indruk dat  dat niet zo slecht uitpakt. Het ruikt wat frisser zal ik maar zeggen.
            In 2013 was het vijftig jaar geleden dat ik samen met 350 jeugdige en  bedeesde groenen een voet over de drempel van deze voor mij volstrekt  nieuwe wereld zette. Ik werd er net zo hard weer uitgeschopt. Of ik niet  wist dat ik geacht werd wijn en sterke drank mee te nemen voor de  Installatie Commissie die het toch al zo moeilijk had met het zooitje  ongeregeld dat ze de komende weken onder hun hoede kregen? Ik verweerde  me met de opmerking dat ik mijn drankgeschenken had afgegeven bij een  klein stalletje op het Centraal Station van Utrecht. Daar hing een  poster met de tekst: Feuten Veritas drank hier afgeven. Hoe ik in  godsnaam zo stom had kunnen wezen. Weer zo'n lul! die er in getrapt was!  Zorg maar dat je nieuwe drank krijgt. En vlug. Ja maar, de winkels zijn  al gesloten. Jouw probleem, feut. Had je maar niet zo onnozel moeten  zijn. Jezus wat een ongelooflijke lul. Je bedenkt maar wat. Goed voor  dat kinderlijke brein van je. Ben je nou gvd nog niet weg? Het was een  leuke tijd ook al was het lang niet altijd leuk.
            Hier zie je een korte impressie van de reünie van ons jaar, op 25 mei 2013. De voorstelling is wat stil omdat YouTube de achtergrondmuziek eraf heeft geplukt (rechten).

 In 1964 vierden we het 15de lustrum van Veritas. Op zijn Italiaans. Het affiche heb nog.

1967, Utrecht, Geertekerk. De Installatie Commissie 1967. Helemaal links de Querulant.









                             1969.

 


Eind jaren zestig was ik hoofdredacteur van de Vox Veritatis. Roerige tijden en veel warhoofderij. Ook ik raakte de weg een beetje kwijt in een tijd waarin alles van zijn plaats kwam. Een deel werd later weer teruggezet, maar niet alles.




  Grote vent met dromen
            
            Trouwen en kinderen
            En toen ging het ineens hard. In 1967 kwam ik Gemma tegen, de liefde van   mijn leven. We trouwden in 1970. En we zijn nog steeds gelukkig met   elkaar. We kregen vier kinderen, Bas, Maartje, Froukje en Brechtje.   Maartje is op haar negentiende overleden. De pijn voelen we nog elke dag.            
            In 1971 was ik klaar met mijn studie. Het laatste jaar had ik gewerkt op  het Instituut voor Plasmafysica in Jutphaas (nu Nieuwegein), waar ook  Jan Terlouw actief was. Dat we ooit nog boeken voor de jeugd zouden gaan  schrijven wisten we toen geen van beiden. Jan is er wat eerder mee  begonnen dan ik. En hij heeft bewezen dat hij het kon. Ik sta nog maar  aan het begin. Hij is voor mij een lichtend voorbeeld.            
            Als jonge natuurkundige kreeg ik de kans een aantal jaren onderzoek te  doen aan atomen. Ontzettend spannend en heel leerzaam. In 1977 ging ik  aan het werk op het hoofdkantoor van TNO in Den Haag (later in Delft, nu weer terug in Den Haag).  TNO doet onderzoek op allerlei gebieden. Ik moest de mensen in het land  uitleggen wat er allemaal bij TNO gebeurde. Ik werd wetenschapsvoorlichter. Een perfecte job voor mij want nu kon ik mijn   plezier in schrijven en mijn interesse in de wetenschap combineren. Ik   heb ruim dertig jaar bij TNO gewerkt. Een fantastische organisatie met   fantastische mensen. En ik heb er heel veel geschreven. Maar altijd over   serieuze zaken. Over chips en lasers, over DNA en dioxine, over robots   en ruimtevaart. In die periode heb ik voor TNO ook een paar boeken   geschreven. Als je nieuwsgierig bent, kun je ze
hier vinden, maar ik zeg al vast dat het dus geen jeugdboeken zijn.            
            In 1978 zijn we verhuisd van De Bilt naar Nootdorp. Ik wilde op de fiets  naar mijn werk kunnen. En toch een beetje buiten wonen. Nootdorp was  nog klein en de koeien liepen voor de deur. Op de fiets naar Den Haag  was een half uurtje. Waar toen de kalfjes nog in de wei werden geboren,  staan intussen al heel lang huizen. Gelukkig nog wel met een mooi  grasveldje waar heel veel gevoetbald wordt. Als ik achter mijn laptop  zit kijk ik regelmatig naar buiten en dan zie ik dat kinderen, jongens  en meiden, het nog steeds leuk vinden om achter een bal aan te hollen.  Dan denk ik terug aan mijn eigen jeugd. We waren gelukkig met een bal en  een stukkie gras. En als ik naar buiten kijk, zie ik dat dat nog steeds  zo is.            
            Tja, en dan word je vader. Toen onze tweeling Froukje en Brechtje werd  geboren kreeg ik van mijn collega's een tegeltje. Daar stond op: 'Vader  worden is een gunst, vader zijn een grote kunst'. Zo had ik het nog  nooit bekeken. Maar ik moest toegeven dat er wel wat in zat. Vader zijn,  hoe doe je dat? Dat is een verhaal apart. Maar één ding wil ik er wel  over kwijt: ik heb heel veel voorgelezen. En verhaaltjes verteld. En  boekjes gekocht. En langzaam maar zeker begon er een klein stemmetje in  mijn hoofd ideetjes te spuien: zou het niet leuk zijn om zelf ook eens  een kinderboekje te schrijven? En na een tijdje dacht ik: misschien is  dat inderdaad wel leuk. Ik had natuurlijk geen idee hoe moeilijk dat  was. In ieder geval veel moeilijker dan het jaarverslag van TNO  schrijven
.

Utrecht, 23 mei1970. Getrouwd met Gemma Eyzenbach, bij groot toeval ontmoet op Veritas tijdens een Folkfestival in december 1967. En nooit meer losgelaten!


  TNO
  Hier moet nog wat komen...                                             

         Met pensioen en dan MEEM'64
            Na mijn pensionering bij TNO in 2008 ben ik een eigen bedrijf begonnen. Ik ben directeur, eigenaar en enige medewerker. Dat noemt men ook wel een ZZP-er, een Zelfstandige Zonder Personeel.
            
            Het begrip meem (Engels meme) is door de bekende en voor sommigen ook beruchte evolutiebioloog Richard Dawkins geïntroduceerd. Een meem is het culturele analogon van een gen. Zoals genen met meer of minder succes in het nageslacht worden vermenigvuldigd, mutatie en selectie, zo zouden ook bepaalde ideeën of onderdelen daarvan zich met meer of minder succes kunnen verspreiden. Een idee dat me boeide en dat ik in eerste instantie wil koppelen aan de onwikkeling van wetenschap en techniek. Maar het werkterrein is veel breder, zo breed als de ideeënwereld waarin mensen leven.
                                              

Hobbies
            Misschien zijn het niet allemaal echte hobbies, maar er zijn in ieder geval veel dingen die me interesseren en me bij tijd en wijle ook echt bezighouden. Zoals paddenstoelen. Als de tijd er rijp voor is, wordt ik tamelijk onrustig en wil ik het bos in. Paddenstoelen en schimmels, zoeken en fotograferen. Hier kun je al wat resultaten zien.
            
            Paddestoelen hebben iets magisch. In de herfstvakantie nam mijn moeder  ons mee naar het bos om paddestoelen te zoeken. Soms naar het  Spaanderswoud,soms naar het bos achter Anna's Hoeve (bij Drakenburg). Ik  heb het nu dus over mijn Hilversumse jeugd. De paddestoelen werden  voorzichtig geplukt en thuis in een herfststukje verwerkt. Toen moet de  kiem gelegd zijn voor mijn paddestoelenliefde. Het duurde nog vele jaren  voordat ik op dit punt uit de kast kwam.
            Het was mijn zoon Bas, wat later ook mijn dochter Maartje, die voor de  grote duw zorgden. Het is medio jaren zeventig en we wonen dan met veel  plezier in een nieuwbouwwoning in De Bilt. Kleine kinderen en bossen in  Bilthoven en Lage Vuursche. Ideaal. Mijn enige probleem was dat ik niet  veel aardigheid had in het blind door een bos lopen. Figuurlijk  natuurlijk want anders ben je je kinderen snel kwijt. Ik wilde onderweg  iets te doen hebben. En toen kwamen die paddestoelen ineens heel goed  uit. Wij gingen dan ook niet wandelen,of een ommetje maken, wij gingen  op paddestoelenjacht. Jammer genoeg zijn deze spannende bosdingen er  niet het hele jaar,maar je kunt ook niet alles hebben in het leven.
            Wij liepen spiedend door het bos en Bas en Maartje liepen als een soort  scouts voor ons uit. Iedere paddestoel die zij ontdekten, werd  gerapporteerd en ze eisten van mij dat ik er voldoende aandacht aan  besteedde. Dat vereiste soms wat tact omdat sommige paddestoelen in   sommige jaren overvloedig voorkomen. Maar mijn commentaar: die hebben we  net ook al gezien, was volstrekt onacceptabel. Voor kinderen is iedere  paddestoel een wonder op zich met zijn eigen geheimen. En gelijk hebben  ze. Soms duurde een ommetje erg lang, maar het aardige was dan wel weer  dat de tijd omvloog.
           
            En zo kon het gebeuren dat ik zelf steeds meer in schimmels, zwammen en  paddestoelen geïnteresseerd raakte. Ik ging ze fotograferen. Het werd  een hobby. En elk jaar als de zomer aan haar eind komt, word ik  onrustig. Dan wordt ik bevangen door een soort jachtinstinct. Dan moet  ik het bos in in de hoop daar paddestoelen te vinden die ik nog niet  eerder heb gezien. Maar ook soorten die ik wel eerder heb gezien blijven  me boeien.
            Aanvankelijk was ik vooral gericht op de klassieke paddestoel, de  toadstool zoals de Engelsen zeggen, met een steel en een hoed. Van  lieverlee leerde ik dat er in dit schimmelrijk nog veel meer te beleven  was. Paddestoelen en andere schimmeldingen hebben ons door de eeuwen  heen verbaasd en soms ook wel bang gemaakt. Het heeft toch iets  geheimzinnigs al die vreemde vormen die zich in de loop van de herfst  een weg naar buiten banen, dwars door de aarde of uit het hout. Aan de  volksnamen van paddestoelen kun je nog heel goed aflezen hoe ze de  fantasie van mensen prikkelden. Wat dacht je van satansboleet,   heksenboleet, heksenboter, judasoor en duivelsei. Het zal jullie niet   verbazen dat mijn eerste kinderboek als titel had: Het Duivelsei. Het  was het begin van de
Wittekappengattrilogie. Deel 2 werd De Late Gast en het grote avontuur eindigde met De Gouden Sleutel. Ik ben nu (2016) bezig om er een boek van te maken. Misschien dat ik daarmee wel doorbreek....


//












































 Schrijven
            Spannende boeken schrijven. Hoe doe je dat? Ik had een vaag idee dat ik vooral jochies weer   aan het lezen wilde krijgen. Ze laten ervaren wat ik zelf had gevoeld toen ik als jochie Arendsoog las, en Bob Evers, en Eric de Noorman, en Kapitein Rob, en Karl May (Winnetou, het edele opperhoofd van de   Apachen). Maar de jochies van nu zijn niet meer de jochies van toen. De jochies van nu zijn groot geworden in een beeldcultuur. Die zijn   opgegroeid met en achter het beeldscherm. Die hebben het geduld niet   meer om te beginnen met woorden en zinnen die pas in hun hoofd, in hun   fantasie, een beeld opleveren. Een beeld dat ze zelf fabriceren,   geprikkeld door verhalen die beelden oproepen. Niet iedereen natuurlijk,   maar toch.
            Die fantasie is volgens mij van enorm belang. De biologen hebben ons de  afgelopen jaren geduldig uitgelegd dat we niet zo erg veel verschillen  van de dieren. Maar ze kunnen niet ontkennen dat we toch wel een heel  bijzonder dier zijn. En dat zit hem voor een flink deel in onze  verbeeldingskracht. Het is de verbeeldingskracht die de mens  onderscheidt van het dier. Ik volg graag de visie van Albert Einstein  die ooit zei: 'Die Phantasie ist wichtiger dann das Wissen'. Fantasie is  belangrijker dan kennis. Ook in de wetenschap. Je kunt nog zoveel  weten, zonder fantasie zul je nooit verder komen. Echte wetenschappers  staan ook altijd met een been in een land dat ze niet kennen, maar waar  ze zich wel een voorstelling van hebben gemaakt
.
            
            
Dus zomaar denken, nou ja, het is niet anders, jongens lezen niet meer.   Jammer dan. Laat ze lekker gamen dan ontwikkelen ze wel weer andere   talenten. Dat vond en vind ik dus te gemakkelijk. Ik ben niet  tegen gamen, begrijp me goed. Maar dag en nacht voor het beeldscherm,  tja? Ik wil ook niet beweren dat vroeger alles beter was. Dacht het  niet. Trouwens, wij gameden ook, maar dan buiten, op de hei, in het  echt. En dan kwamen we met blauwe plekken en schrammen thuis. Wat al  weer meer in de buurt komt is geocaching. Als je het niet kent moet je  even hier   kijken. Hier komen oud en nieuw op een leuke en spannende manier samen.  Schatzoeken met moderne hulpmiddelen, maar je moet er wel voor naar  buiten!
            Ik wilde dus spannende boeken voor jongens schrijven die ook voor  meisjes de moeite waard zijn. Dat laatste was een advies van een uitgever: er moeten meisjes in die verhalen, want jongens lezen toch   niet. Een nogal treurige boodschap vond ik zelf, maar goed, je moet ook niet als een Don Quichotte tegen windmolens willen vechten. Idealisme is  goed, maar je moet niet overdrijven.
            
            Het Wittekappengat

            En als je dan het besluit hebt genomen om schrijver te worden moet je  ook een hutje in het bos hebben. Dat schrijft makkelijker dan thuis. Dat  is bekend. Toen we dat hutje hadden gevonden ging de rest vanzelf  (haha). In 2007 was mijn eerste boekje klaar:
Het Duivelsei. Op de foto zie je de trotse schrijver met een van zijn fans.
            Het Duivelsei werd het begin van een verhaal dat groeide in de loop van  de tijd. Er bleken nog twee delen nodig om het hele verhaal te  vertellen. Dat werden
De Late Gast en De Gouden Sleutel.    Samen de Wittekappengattrilogie. Ikheb de serie zo genoemd omdat het   geheimzinnige Wittekappengat er een belangrijke rol in speelt. Het is   een vreemd gat in de aarde, diep in het bos, waar volgens een legende   lang geleden een klooster met man en muis in de grond is verdwenen. Of   beter gezegd, met alle monniken. De straf voor een zondig leven! Maar na   al die eeuwen gaat er nog steeds een vreemde invloed uit van die   geheimzinnige kuil. Bas, Boukje en Rinze komen in een angstaanjagend   avontuur terecht.
            
            Aandelen verkopen voor Zwerg
            Een goed begin, maar nu verder. Zelf publiceren heeft aantrekkelijke kanten maar de nadelen zijn ook niet gering
(
lees hier een aardige beschouwing over de huidige situatie in de VS)   Een uitgever met allure. Maar iedereen die het wereldje een beetje   kent, weet dat binnenkomen bij zo'n uitgever een heel moeilijke opgave   is. Het werd een klus maar het is gelukt. Want mijn volgende verhaal   werd uiteindelijk door uitgever De Vier Windstreken geaccepteerd. Het heeft mijn volgende jeugdboek Zwerg opgeleverd, waar ik best een beetje trots op ben. TenPages,   het innovatieve concept van Valentine van der Lande, heeft daar een   zware rol in gespeeld. TenPages is een crowd funding initiatief gericht op het bij een klassieke uitgever gepubliceerd krijgen van een   manuscript. Opzet: minstens tien pagina's van een manuscript op de site van TenPages zetten. Lezers die er heil in zien of die bereid zijn een jong schrijftalent op weg te helpen, kunnen voor 5 euro een aandeel   kopen. Als van een manuscript binnen een bepaalde tijd 2000 aandelen   zijn verkocht volgt de stap naar de/een uitgever. Kort na de start van   TenPages heb ik de stap gewaagd en heb ik het begin van Zwerg publiek   gemaakt. En het is me gelukt de aandelen te verkopen. Maar het was een   zenuwslopende tijd, slecht voor je gemoedsrust. Des te mooier de   beloning.
            
            De geboorte van Zwerg
            We hebben Zwerg op 10 maart 2012 aan het volk en de fans getoond. Zwerg  speelt zich af in een plaatsje dat Guurlo heet. Vlakbij Guurlo ligt een  grote steengroeve. Guurlo lijkt een beetje op Winterswijk. Een heel  klein beetje. En laat daar nu ook een steengroeve zijn. En nog wel een  heel beroemde. Lang geleden zijn we er een keer toevallig terecht  gekomen. En dat heeft zowel op mij als op mijn zoon Bas een grote indruk  gemaakt. Hij is later geologie gaan studeren en ik ben Zwerg gaan  schrijven.
            Het eerste exemplaar van Zwerg mocht ik aanbieden aan Rik Buddenberg,  burgemeester van Pijnacker-Nootdorp. Ik woon in Nootdorp, vandaar. In het  oude stadhuis van Pijnacker (het Witte Huis) mocht ik vertellen hoe het  allemaal zo gekomen was. En Bas mocht laten zien hoe kleine dingen soms  grote gevolgen kunnen hebben. Hij is nu een bekende onderzoeker aan de Universiteit Utrecht. Als je tegenwoordig een boek aan de  man wil brengen moet je flink wat kunstjes uit de kast halen. Je moet op  zijn minst een website hebben. Die ben ik toen maar vlug gaan maken. En  zonder booktrailer kom je ook niet ver. Dat is een klein reclamefilmpje  dat je op YouTube kan zetten. Gelukkig is mijn neef Rick heel handig  met dat soort zaken.
Hier kun je zien en horen wat hij heeft gemaakt.
            
            Veel verhalen en gedichtjes kun je hier vinden.

2007. Gerard Espunt samen met een jonge lezer,  die vol trots Het Duivelsei toont, op de foto.

 


























Den Haag, 2012. Hier worden tijdens de kinderboekenweek de achtergronden van Zwerg uitgelegd aan een verbaasd meisje.


Jeugdige fan houdt haar boekbespreking over Zwerg en haalt daarmee een hoge score, te meer omdat de auteur in de klas zit.


2012, Winterswijk, Steengroeve. Gerard Espunt waagt zijn leven op de rand van het ravijn om zijn jeugdboek Zwerg te tonen.